Privaatrecht – Vermobo/Van Rijswijk ECLI:NL:HR:1993:ZC0845

  • Datum: 29 januari 1993

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:162 BW

Casus

Van Rijswijk jr. wilde een stal voor zijn varkens laten bouwen op een perceel grond dat aan Van Rijswijk sr. toebehoorde. Hiertoe sloot hij een aannemingsovereenkomst af met Vermobo. Vermobo zou de stal bouwen, waartoe Van Rijswijk jr. hem een aanneemsom zou betalen. Omdat de grond eigendom is van Van Rijswijk sr. en de varkensstal op zijn grond wordt gebouwd, besluit hij de stal over te nemen van Van Rijswijk jr. tegen een betaling ter hoogte van de waarde van de varkensstal. Aldus geschiedde, maar de betaling voor de aanneemsom van Vermobo blijft uit. Zowel Van Rijswijk jr. als van Rijswijk sr. bieden geen verhaal voor de betaling van deze aanneemsom. Hier is Vermobo het niet mee eens. Zij vordert daarom betaling bij Van Rijswijk sr., die de varkensstal heeft overgenomen van Van Rijswijk jr., op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Vermobo vindt daarnaast ook dat Van Rijswijk sr., door te hebben geprofiteerd van de wanprestatie die Van Rijswijk jr. heeft gepleegd door niet tot betaling van de aanneemsom over te gaan, onrechtmatig heeft gehandeld. Ten derde voert Vermobo aan dat Van Rijswijk sr. zichzelf ook schuldig heeft gemaakt aan wanprestatie door niet de aanneemsom aan Vermobo te voldoen omdat er ook tussen haar en Van Rijswijk sr. een contractuele relatie zou bestaan.

Rechtsvraag

Is er sprake van ongerechtvaardigde verrijking door Van Rijswijk sr.? Bestaat er een contractuele relatie tussen Vermobo en Van Rijswijk sr.?

Lagere rechters

De rechtbank wees de vordering van Vermobo toe, waarna in hoger beroep het hof de beslissing van de rechtbank vernietigt en de vordering van Vermobo juist afwijst. In tegenstelling tot de rechtbank vindt het hof dat Van Rijswijk sr. niet als contractpartij kan worden aangemerkt.

Hoge Raad

Ten aanzien van de vraag of er sprake is van een ongerechtvaardigde verrijking aan de kant van Van Rijswijk sr. overweegt de Hoge Raad dat volgens art. 6:212 lid 2 en 3 BW dit niet het geval kan zijn als de verrijkte rekening diende te houden met een (eventuele) verplichting tot schadevergoeding. Hier heeft het hof bij het toewijzen van het beroep op ongerechtvaardigde verrijking geen rekening mee gehouden, waardoor het toewijzen van deze vordering getuigt van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad is daarnaast het feit dat Van Rijswijk sr. akkoord ging met de bouw van de varkensstal op zijn perceel grond ook niet voldoende om te kunnen spreken van een contractuele verhouding tussen hem en Vermobo. Een contractuele verhouding kan namelijk niet zonder meer worden aangenomen. Hiervoor dient er te worden gekeken naar wat partijen over en weer hebben verklaard en wat zij uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en hebben mogen afleiden. Volgens de Hoge Raad was er hier geen sprake van verklaringen of gedragingen waaruit bleek dat Van Rijswijk sr. en Vermobo een contractuele relatie met elkaar hadden. De Hoge Raad casseert.