Privaatrecht – Van Meegen Holding/Ontvanger NJ 2012/482

  • Datum: 13 juli 2012

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 209 Rv

Feiten

In deze zaak gaat het om een incidentele vordering tot oproeping geëxecuteerde in een verklaringsprocedure in het kader van een executoriaal derdenbeslag.

Rechtsvraag

Wat is de maatstaf voor het eerst en vooraf behandelen en beslissen van een incidentele vordering?

Hoge Raad

Bij het beoordelen van klachten moet het volgende worden vooropgesteld. Indien een bijzondere wettelijke regel op grond waarvan een incidentele vordering eerst en vooraf dient te worden behandeld en beslist, ontbreekt, zoals bij de hier aan de orde zijnde, niet in de wet geregelde incidentele vordering, geldt de maatstaf van art. 209 eerste zin Rv, die inhoudt dat de vordering eerst en vooraf wordt behandeld en beslist “indien de zaak dat mede brengt”. Bij de toepassing van deze maatstaf dient de rechter, aan de hand van de aard en inhoud van de vordering, de belangen van partijen en belang van een doelmatige procesvoering, na te gaan of een voorafgaande behandeling en beslissing redelijkerwijs geboden zijn en niet leiden tot een onredelijke vertraging van het geding. Het hof heeft de regel van art. 209 niet miskend. Het heeft immers onderzocht of de zaak meebrengt dat op de incidentele vordering van Meegen Holding c.s. eerst en vooraf zou worden beslist.