Privaatrecht – Van der Gulik/Vissers ECLI:NL:HR:2003:AF3057

  • Datum: 21 maart 2003

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: 7:627 Bw

Casus

Ingevolge de tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is Van der Gulik bij Vissers aangesteld tot directeur van Vissers en Partners Hypotheekcentrum, tegen een salaris dat bestaat uit afsluitprovisie over de afgesloten hypotheken. Vissers heeft Van der Gulik met ingang van 28 maart 1996 op non-actief gesteld toen er tussen partijen problemen waren. Van der Gulik is op die dag door zijn huisarts arbeidsongeschikt verklaard en heeft zich met ingang van die dag ziek gemeld. Van der Gulik is vanaf 29 maart 1996 tot en met 5 maart 1997 arbeidsongeschikt geweest. Met ingang van 5 maart 1997 is hij hersteld bevonden. Nadat Vissers de arbeidsovereenkomst laat ontbinden wil Gulik een vergoeding over de periode waarin hij geschorst was.

Rechtsvraag

Is non-actiefstelling/schorsing een omstandigheid die voor rekening van de werknemer komt waardoor de werkgever geen loon verschuldigd is op grond van art. 7:627 BW?

Lagere rechters

De kantonrechter te Bergen op Zoom heeft de arbeidsovereenkomst op verzoek van Vissers per 1 juli 1997 ontbonden met toekenning van een vergoeding. Van der Gulik heeft een naar het verleden berekend bedrag aan afsluitprovisie gevorderd over de periode vanaf de op non-actiefstelling tot aan het einde van het dienstverband. De Kantonrechter heeft na een tussenvonnis bij eindvonnis van 16 september 1998 een deel van die vordering toegewezen. Van der Gulik komt tegen de beide vonnissen in beroep en stelt dat de Kantonrechter een te laag bedrag heeft toegewezen. Vissers heeft incidenteel beroep ingesteld. De Rechtbank heeft bij eindvonnis het vonnis van de Kantonrechter van 16 september 1998 in zoverre vernietigd dat de vordering van Van der Gulik tot betaling van provisie over de periode van 1 april 1996 tot en met 30 juni 1997 alsnog wordt afgewezen. Tegen deze beslissing heeft Van der Gulik beroep in cassatie ingesteld.

Hoge Raad

In cassatie voert Van der Gulik aan dat zonder afwijking als bedoeld in art. 7:628 lid 5 en/of lid 7 BW het rechtens niet mogelijk is om de geschorste/op non-actief gestelde werknemer zijn recht op loon te ontnemen, ook indien de schorsing/op non-actiefstelling aan hemzelf te wijten is. Ingevolge art. 7:628 lid 1 BW heeft de werknemer recht loon, indien hij de overeengekomen arbeid niet heeft verricht door een oorzaak die in redelijkheid voor rekening van de werkgever behoort te komen. Een schorsing of een op non-actiefstelling ligt in de risicosfeer van de werkgever en is zo’n oorzaak in de zin van art. 7:628 lid 1 BW. Dit houdt in dat ook tijdens een schorsing of een op non-actiefstelling de werkgever verplicht is tot doorbetaling van loon. Dat is ook het geval indien de werkgever gegronde redenen had om de werknemer te schorsen of op non-actief te stellen en dit aan de werknemer zelf is te wijten. De werkgever kan zich immers niet zomaar eenzijdig aan de verplichting tot loonbetaling onttrekken. Een uitzondering op deze regel is alleen mogelijk indien op grond van art. 7:628 lid 5 (oud) BW van dit artikel is afgeweken bij schriftelijke overeenkomst of bij reglement. In casu is van deze uitzondering geen sprake en is de Rechtbank derhalve uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. De Hoge Raad vernietigt de vonnissen van de Rechtbank.