Privaatrecht – Van de Steeg, van de Steeg Landbouwbedrijf NV/Coöperatieve Rabobank Noord-Holland Noord & Kramer/ F. Lanschot Bankiers NV

  • Datum: 8 februari 2013

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:89 BW

Casus

Het betreft hier twee zaken die betrekking hebben op de bancaire zorgplicht en de klachtplicht van art. 6:89 BW. In het eerste arrest gaat het erom dat een boer die via de Rabobank in aandelen belegt, groot verlies lijdt en hij uiteindelijk de Rabobank verwijt de bancaire zorgplicht te hebben geschonden. Hij wordt echter verweten dit te laat te hebben gedaan.

In de tweede zaak gaat het om een schadevordering van een klant van Van Lanschot Bankiers wegens onzorgvuldig beleggingsadvies. Het gehele vermogen van deze klant is tijdens het beleggen door deze bank verdampt.
De klant stelt de bank aansprakelijk wegens schending van haar bancaire zorgplichten. Ook hier bestaat het verweer van de bank eruit dat de klant te laat heeft geklaagd.

Rechtsvraag

Kan je na het overschrijden van de termijn voor het indienen van een klacht geen klacht indienen op basis van de bancaire zorgplicht en staat hieraan dan dus de klachtplicht (art. 6:89 BW) in de weg?

Rechtbank en Hof

In beide hierboven genoemde arresten stellen rechtbank en het Hof de bank in het gelijk.

Hoge Raad

De Hoge Raad stelt de klant in het gelijk. De Hoge Raad betoogt dat het niet nakomen van de zorgplicht niet zozeer iets is dat een klant hoeft op te merken. De bank is juist de professional en heeft meer kennis hieromtrent, zeker in de hoedanigheid van beleggingsadviseur.
Ook is het Hof te streng geweest voor de klant, aldus de Hoge Raad. Zij stelt dat alleen onder bijzondere omstandigheden een fors tijdsverloop niet tot het verval van het vorderingsrecht leidt.

De Hoge Raad stelt dat het tijdsverloop een belangrijke rol speelt in de afweging van belangen tussen enerzijds de belangen van de schuldenaar die door het tijdsverloop zijn geschaad, en anderzijds de belangen van de schuldeiser, máár geen doorslaggevende rol. In beide casussen stelt de Hoge Raad dus de klant in het gelijk.