Privaatrecht – Stein/ Driessen ECLI:NL:HR:1997:ZC2524

  • Datum: 12 december 1997

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:2 BW, art. 6:233 sub a BW en art. 6:248 BW

Casus

De gemeente exploiteert een haven en huurt hiervoor een kraan van Driessen B.V.. De kraan wordt bediend door personen in dienst van de gemeente. Op een gegeven moment is de kraan omgevallen. De kanteling werd veroorzaakt doordat bepaalde veiligheidsvoorzieningen buiten werking waren gesteld. Driessen B.V. stelt de gemeente aansprakelijk tot vergoeding van de schade van dit ongeval, maar de gemeente beroept zich op de tussen de partijen overeengekomen exoneratieclausule. De rechtbank is van mening dat een beroep op de exoneratieclausule in casu in strijd is met de goede trouw, aangezien de schade is veroorzaakt door schuld van de gemeente. Het Hof heeft geoordeeld dat de gemeente zich in principe op een exoneratiebeding kan beroepen, maar dat een beroep op de exoneratieclausule in casu in strijd zou zijn met art. 6:248 BW, aangezien de gemeente onachtzaam heeft gehandeld door niet te reageren op de aanwijzingen dat de veiligheidsvoorzieningen waren uitgeschakeld.

Rechtsvraag

Kunnen de eisen van redelijkheid en billijkheid een beroep op een exoneratieclausule onaanvaardbaar maken wanneer er sprake is van grove onachtzaamheid?

Hoge Raad

Een geldige exoneratieclausule dient buiten toepassing te blijven voor zover die toepassing van de clausule in de gegeven omstandigheden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. Dit zal in het algemeen het geval zijn indien de schade is te wijten aan opzet of bewuste roekeloosheid van de schuldenaar of van met de leiding van zijn bedrijf belaste personen. Het Hof heeft het in dit verband over ‘grove schuld’.

Het Hof heeft vastgesteld dat de voormalig leidinggevende personen in de organisatie van de gemeente bewust roekeloos het gevaar hebben geschapen dat er schade zou ontstaan doordat de veiligheidsvoorzieningen van de kraan niet functioneren en zelfs gedeeltelijk weggehaald waren. De voormalig leidinggevenden hebben nagelaten om maatregelen te treffen die ertoe strekten de veiligheidsvoorzieningen te herstellen.
Deze bewuste roekeloosheid werkt door wanneer de personen reeds hun leidinggevende functie hebben neergelegd. Het bewust roekeloos in het leven geroepen gevaar, heeft zich in casu verwezenlijkt.
Onder de omstandigheden in casu is het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar om een beroep op de exoneratieclausule te honoreren. Het Hof heeft hierin geen blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.