Privaatrecht – Staalbouw Vianen/Breda en EZH NJ 1995, 269

  • Datum: 29 april 1994

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 120 Rv

Feiten

EZH laat een appèldagvaarding betekenen, maar de betekening vindt door een vergissing plaats op een andere plaats dan de wet voorschrijft. Daarom laat EZH een herstelexploot uitbrengen op de juiste plaats. Ondertussen is echter de appèltermijn al met twee dagen verstreken. Staalbouw Vianen stelt ten eerste dat zij pas na de appèltermijn vernam van de dagvaarding en ten tweede dat die dagvaarding ongeldig is. Daarom is volgens Staalbouw hoger beroep niet binnen de vereiste termijn ingesteld. Het hof verwerpt dit betoog en oordeelt dat EZH wel ontvankelijk is.

Rechtsvraag

Heeft EZH binnen de appèltermijn hoger beroep ingesteld?

Hoge Raad

De Hoge Raad overweegt dat Staalbouw door de vergissing inderdaad pas na afloop van de appèltermijn kennis kreeg van het ingestelde hoger beroep, namelijk na de betekening van het herstelexploot. Volgens de Hoge Raad betekent dit echter niet dat het hoger beroep niet binnen de appèltermijn is ingesteld. Uit de wetsgeschiedenis volgt dat aan de werking van een herstelexploot niet afdoet dat het wordt uitgebracht na afloop van de appèltermijn. Het is slechts van belang dat deze voor de dienende dag uitgebracht wordt. Omdat het gebrek binnen de termijn uitgebrachte dagvaarding rechtsgeldig is hersteld, is het hoger beroep op tijd ingesteld. Dat Staalbouw niet binnen, maar kort na de termijn vernam van de dagvaarding, heeft haar niet geschaad in de mogelijkheid zich te verweren tegen de grieven. De Hoge Raad verwerpt dus het beroep van Staalbouw.

Deze uitspraak vormt een voorbeeld van de deformalisering van het burgerlijk procesrecht en laat zien dat de gevallen waarin de rechter nietigheid van de dagvaarding moet uitspreken zo beperkt mogelijk worden gehouden. Nagegaan dient te worden of de wederpartij in haar belang is geschaad en of herstel mogelijk is. Nietigheid volgt eventueel daarna pas.