Privaatrecht – Spaarbank Rivierenland/ Gispen q.q. ECLI:NL:HR: 1994:ZC1488

  • Datum: 14 oktober 1994

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

De Spaarbank Rivierenland heeft in 1988 aan Litho House BV een krediet verstrekt en daartoe is een stamcessie-overeenkomst gesloten. Litho House was op grond van die overeenkomst verplicht regelmatig door middel van cessielijsten haar vorderingen tot zekerheid te cederen aan de bank.

Later werd dit door de invoering van het nieuw BW een verplichting tot stille verpanding van vorderingen op naam. Daartoe heeft Litho bij onderhandse akte zijn vorderingen verpand aan de bank. De gebruikte pandakten zijn opgemaakt volgens het NVB-model, dat wil zeggen dat in de pandakten voor de specificatie wordt verwezen naar computerlijsten die door Litho samen met de pandakten aan de bank zijn toegezonden. De lijsten zijn niet aan de akte gehecht en ook niet ter registratie aangeboden. In het onderhavige geval staan twee rechtsvragen centraal.

Rechtsvragen

Ten eerste de vraag of de wijze van vestiging van het pandrecht voldoet aan de eisen die het recht daaraan stelt. Dit omvat de vragen of de te verpanden vorderingen in de pandakten voldoende zijn bepaald en of er, doordat registratie vereist is, strengere eisen moeten worden gesteld aan de specificatie van vorderingen.
De tweede vraag behelst de kwestie of de datum van aanbieding van de akte ter registratie aan de Inspecteur der Registratie en Successie wordt aangemerkt als de datum van registratie, terwijl vaststaat dat de daadwerkelijke registratie later plaats heeft gevonden.

Hoge Raad

In het wettelijk stelsel ligt, met betrekking tot de overdracht van, en vestiging van pandrecht op vorderingen op naam, het vereiste besloten dat de vordering ten tijde van de levering of verpanding in voldoende mate wordt bepaald door de overdrachtsakte of de pandakte. Daarvoor is het voldoende dat de akte zodanige gegevens bevat, dat aan de hand daarvan kan worden vastgesteld om welke vordering het gaat. Dit betekent niet dat de vordering in de akte zelf moet worden gespecificeerd.

Het voorschrift tot registratie van de onderhandse akten van verpanding van vorderingen op naam wettigt niet het stellen van strengere eisen aan de akten. De gehanteerde methode van verpanding volgens het NVB-model voldoet zodoende aan de bepaaldheidseis.
Voor de beantwoording van de vraag vanaf welke dag van registratie gesproken mag worden, stelt de Hoge Raad dat de dag waarop de akte ter registratie wordt aangeboden, is aan te merken als de dag van registratie. Het is een te respecteren belang van de aanbieder, dat hij zelf kan bepalen op welke dag hij aan de vereisten van geldige verpanding wil voldoen en daarbij niet afhankelijk moet zijn van administratieve handelingen.