Privaatrecht – Proctor & Gamble/Kimberly-Clark NJ 1996, 509

  • Datum: 15 december 1995

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Feiten

Het gaat om een geschil tussen Pampers van Procter&Gamble en Huggies van Kimberley-Clark over de kwaliteit van luiers. Eind 1993 heeft K–C de Huggies op de Nederlandse markt geïntroduceerd. Voor de bekendmaking van Huggies is een grote reclamecampagne gevoerd. P&G dagvaardt K–C in kort geding en stelt dat K–C in de reclame-uitingen claimt dat Huggies de beste luiers ter wereld zouden zijn en ‘een reden om van luier te verwisselen’. P&G is van mening dat deze claims ten opzichte van Pampers onjuist zijn en dat er sprake is van misleidende reclame (art. 6:194 BW) door K-C. Ook zou K-C in strijd met de zorgvuldigheid handelen en bovendien merkinbreuk plegen. P&G vordert rectificatie in de bladen en op tv.

Rechtsvraag

Is de rechter in een bodemprocedure (afgezien van de tenzij-gevallen in art. 3:296 BW) verplicht bij onrechtmatigheid een verbod uit te spreken?

Hoge Raad

Omdat het Hof de mededelingen van K–C ‘ontoelaatbaar’ heeft geacht, wil P&G dat het verlangde verbod wordt toegewezen. De Hoge Raad stelt dat de aard van het kort geding een belangenafweging meebrengt waarbij enerzijds onder meer het voorlopig karakter van het rechterlijk oordeel en de ingrijpendheid van een eventueel verbod voor de verweerder in aanmerking dienen te worden genomen en anderzijds de omvang van de schade die voor de eiser dreigt indien een verbod zou uitblijven. Met andere woorden, anders dan de bodemrechter kan de rechter in kort geding van een verbod afzien, bijvoorbeeld omdat aan de belangen van de eiser voorlopig voldoende op een andere manier is of kan worden tegemoetgekomen.