Privaatrecht – PIP- implantaten ECLI:NL:HR:2020:1090

  • Datum: 19 juni 2020

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:77 BW

Casus

In deze procedure vordert verzoekster onder meer een verklaring voor recht dat het Jeroen Bosch ziekenhuis aansprakelijk is voor de schade die zij heeft geleden als gevolg van het feit dat bij haar een PIP-implantaat was geplaatst. Zij heeft aan deze vordering ten grondslag gelegd dat het PIP-implantaat is gescheurd, waarna siliconen zich in haar lichaam hebben verspreid en zij als gevolg daarvan lichamelijke klachten heeft. Voor de hierdoor geleden schade houdt zij het ziekenhuis aansprakelijk op grond van de art. 7:446 BW, 7:453 BW jo. 6:77 BW.

Rechtsvraag

Is een ziekenhuis aansprakelijk voor de door een patiënt geleden schade die is ontstaan doordat de hulpverlener bij de uitvoering van een geneeskundige behandelingsovereenkomst een implantaat heeft geplaatst dat ongeschikt is gebleken?

Hoge Raad

De Hoge Raad is van mening dat het plaatsen van een PIP-borstimplantaat dat industriële siliconen bevat een tekortkoming zoals bedoeld in 6:77 BW oplevert in de nakoming van de desbetreffende geneeskundige behandelingsovereenkomst.
Die tekortkoming kan echter niet aan de hulpverlener, of ingevolge de centrale aansprakelijkheid van art. 7:462 lid 1 BW aan het ziekenhuis worden toegerekend wanneer deze onredelijk wordt geacht, zodat geen aansprakelijkheid bestaat. De Hoge Raad heeft hierbij meegewogen dat het gaat om grootschalige fraude door de producent, terwijl het ziekenhuis hiermee niet bekend was of kon zijn. Tevens zal aansprakelijkheid van het ziekenhuis in dit geval leiden tot een grote hoeveelheid, deels omvangrijke, schadeclaims, waartegen het ziekenhuis slechts een beperkte mogelijkheid bestaat om zich te verzekeren.
Patiënten die schade hebben geleden door gebrekkige PIP-borstimplantaten kunnen deze dus niet verhalen op het ziekenhuis. De frauderende producent is inmiddels failliet.