Privaatrecht – Opbreking wegdek ECLI:NL:PHR:2017:1427

  • Datum: 15 december 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:162 BW

Casus

In juni 2006 is in het asfalt van een openbare weg een trens aangelegd. Dit is een opbreking in het wegdek voor de aanleg van nutsvoorzieningen. Deze trens lag over de volledige breedte van de weg (met een breedte van ongeveer een meter). Na het openbreken van het wegdek zijn er klinkers over het wegdek gelegd. Op die manier konden weggebruikers alsnog gebruik maken van het wegdek. Langs het wegdek waren bermbeschermers aangelegd. Dit zijn betonnen uitstulpingen met als doel dat auto’s de berm gebruiken om hier te parkeren. Betrokkene 1 was door de gemeente aangesteld als juridisch wegbeheerder en als zodanig verantwoordelijk voor een goed onderhoud en een veilig gebruik van de wegen in het Westpoortgebied, waaronder de Heining. Na 16 juni 2006 is de trens twee keer opnieuw bestraat in opdracht van de gemeente.
In december 2006 is betrokkene 2 ter hoogte van de trens met zijn motor ten val gekomen en is toen met zijn nek tegen een van de bermbeschermers aangekomen. Als gevolg van het ongeval heeft betrokkene 2 ernstig letsel opgelopen, te weten een dwarslaesie vanaf de zesde nekwervel. Als gevolg van dit ongeval is betrokkene 2 arbeidsongeschikt verklaard. Betrokkene heeft de gemeente aansprakelijk gesteld voor de door hem geleden schade.

Rechtsvraag

Is de gemeente in casu aansprakelijk voor het ontstaan van het ongeval in december 2006 omdat zij niet hebben voldaan aan hun zorgplicht?

Lagere rechters

De rechtbank heeft overwogen dat het bij de beoordeling of de onregelmatigheid in de trens gevaarzettend was, aankomt op de feitelijke toestand van de trens ten tijde van het ongeval. In dat verband heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat de trens een dat na het ongeval is geasfalteerd en om die reden nadien niet meer voor onderzoek beschikbaar was. Ook is er toen geen onderzoek verricht door de politie omdat het een eenzijdig ongeval betrof. De rechtbank komt dan ook tot het oordeel dat het UWV niet in het bewijs van zijn stellingen is geslaagd, omdat op basis van de getuigenverklaringen niet kan worden vastgesteld wat de feitelijke toestand van de trens was ten tijde van het ongeval. Verder heeft de rechtbank overwogen dat het UWV niet onderbouwd heeft gesteld dat de aanwezigheid van de betonnen bermbeschermers een dusdanig schadeverhogende werking heeft bij een ongeval als het onderhavige. Het Hof komt tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de Gemeente wist, of behoorde te weten dat ter plaatse van de trens een gevaarlijke situatie bestond. Met het aanstellen van betrokkene 1 als wegbeheerder heeft de gemeente in beginsel genoeg invulling gegeven aan de op haar rustende verplichting om het ontstaan van een gevaarlijke situatie zoveel mogelijk te voorkomen. Zij overweegt vervolgens dat voor het aannemen van aansprakelijkheid van de Gemeente niet alleen moet komen vast te staan dat de trens een gevaarlijke situatie voor motorrijders opleverde, maar ook dat de Gemeente daarvan op de hoogte was of had moeten zijn. Evenmin is volgens het Hof vast komen te staan dat de aanwezigheid van de betonnen bermbeschermers op zichzelf een gevaarlijke situatie voor motorrijders opleverde.

Hoge Raad

De in het middel aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Dit behoeft, gezien art. 81 lid 1 RO, geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.

Annotatie van Hartlief

In cassatie staat niet ter discussie dat het UWV geen beroep toekomt op de kwalitatieve aansprakelijkheid van de Gemeente als wegbeheerder (art. 6:174 BW). De vordering van het UWV is daarom gebaseerd op art. 6:162 BW. het UWV betoogt dat de Gemeente jegens betrokkene onrechtmatig heeft gehandeld en uit dien hoofde aansprakelijk is. de vraag is dan ook of er jegens de rechtstreeks benadeelde onrechtmatig is gehandeld. Dat de onderhavige vordering is gebaseerd op art. 6:162 BW en niet op art. 6:174 BW is onder meer van belang voor de door de Gemeente te voeren verweren. Art. 6:174 BW bevat een risicoaansprakelijkheid. Voor aansprakelijkheid op grond van art. 6:174 BW is niet vereist dat de bezitter bekend was met het gebrek. Sterker nog: onbekendheid met het gebrek staat niet aan aansprakelijkheid van art. 6:174 BW in de weg. Voordat wordt toegekomen aan de vraag of de aangesproken partij wist of behoorde te weten van het gevaar, moet vast komen te staan dat sprake was van een gevaarlijke situatie. De onderhavige zaak wordt erdoor gekenmerkt dat het beweerdelijke gevaar is veroorzaakt door de aanwezigheid van een trens in het wegdek. In de zaak komt naar voren dat de exacte vorm en de exacte diepte hiervan cruciaal zijn voor de beoordeling of de trens gevaar opleverde voor motorrijders. Nu het bij die beoordeling klaarblijkelijk aankomt op de precieze vorm en diepte kan de toestand van de trens niet meer achterhaald worden gezien het feit dat de weg enkele dagen erna geasfalteerd is. De AG komt tot de conclusie dat het arrest in stand kan blijven. Onder andere omdat het Hof, begrijpelijkerwijs, doorslaggevend heeft geacht dat de getuigenverklaringen op het punt van de vorm en diepte van de trens te zeer uiteen lopen om antwoord te kunnen geven op de vraag of die vorm en diepte van dien aard waren dat sprake was van een gevaarlijke situatie. Het UWV heeft, logischerwijs, haar pijlen gericht op het bewijsoordeel en zet in op een bewijsrechtelijke tegemoetkoming. Echter is ook de AG, net als het Hof, van mening dat voor een omkering van de bewijslast in de omstandigheden van het geval geen plek is.