Privaatrecht – Ontvanger/ Hamm q.q. ECLI:NL:HR: 1997:ZC2419

  • Datum: 5 november 1997

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:203 lid 2 BW

Casus

Wolfson Informatica BV was op 4 september 1992 failliet verklaard. Vervolgens werd Mr. Hamm benoemd tot curator.
De Ontvanger had in verband met teruggave van belasting en/of premie de curator verzocht om een bankrekening aan te wijzen waarop het bedrag gestort kon worden. Vervolgens heeft de Ontvanger het bedrag op deze rekening gestort. Later bleek dat er sprake was van een vergissing: het bedrag kwam niet aan de vennootschap toe, maar aan Wolfson Groep BV.
De Ontvanger verzocht terugbetaling aan de curator, maar de curator weigerde dit aangezien de boedel onvoldoende actief bevatte om alle boedelschulden geheel te kunnen voldoen. De Ontvanger vordert derhalve veroordeling van de curator tot terugbetaling van het bedrag.

Rechtsvraag

In hoeverre dient de curator een onverschuldigde betaling door een derde ná faillissementsverklaring terstond het bedrag terug te betalen, als blijkt dat er in de boedel onvoldoende middelen zijn om alle boedelschulden te voldoen?

Rechtbank

De rechtbank wijst de vordering van de Ontvanger af en stelt de curator in het gelijk.

Hoge Raad

Op grond van een sprongcassatie, wordt meteen cassatie ingesteld bij de Hoge Raad. Zij volgt het standpunt van de Ontvanger en casseert het vonnis van de Rechtbank. In geval van betaling per vergissing van een niet aan de gefailleerde verschuldigd bedrag, dient een onderscheid gemaakt worden tussen de situatie vóór faillietverklaring zonder rechtsgrond en de situatie ná faillietverklaring zonder rechtsgrond.
In de eerste situatie is art. 6:203 lid 2 BW een grond tot verplichte teruggave van een gelijk bedrag. In geval van een betaling tijdens de faillissementsverklaring, hoort de verplichting tot terugbetaling tot het passief van het in art. 20 Fw bedoelde vermogen. Ingevolge art. 3:278 BW moet de vordering dan als concurrent worden aangemerkt.

Wat betreft de vordering uit hoofde van de ná de faillietverklaring zonder rechtsgrond gedane betaling, moet er onderscheid gemaakt worden tussen gevallen waarin het gaat om een aan de schuldenaar na diens faillissementsverklaring gedane betaling die als gevolg van de terugwerkende kracht achteraf onverschuldigd blijkt te zijn, en anderzijds gevallen waarin tussen de gefailleerde en in casu de Ontvanger geen rechtsverhouding bestaat of heeft bestaan, die aanleiding tot de betaling gaf. In dit laatste geval is betaling slechts het gevolg van een onmiskenbare vergissing.

Wanneer dit het geval is, moet de curator in overeenstemming met de betamelijkheid in het maatschappelijk verkeer handelen en dientengevolge helpen de vergissing ongedaan te maken. De curator hoort met alle gerechtvaardigde belangen rekening te houden en er zorg voor te dragen dat derden niet het slachtoffer worden van misslagen.

De omstandigheid dat de wet aan vorderingen uit onverschuldigde betaling geen voorrecht verbindt en ook geen andere grond tot voorrang aandraagt, brengt niet met zich mee dat een betaling, die gedaan is op grond van een vergissing, in de boedel valt. Er mag geen verrijking van de schuldeisers ten koste van degene die op grond van een vergissing heeft betaald plaatsvinden. De redelijkheid verzet zich hiertegen en bovendien biedt de Faillissementswet hiervoor geen grondslag.

De curator moet op grond van art. 6:212 BW zo spoedig mogelijk de onverschuldigde betaling ongedaan maken. Bovendien mag ten aanzien van de ontvanger geen bijdrage aan de algemene faillissementskosten in rekening worden gebracht.