Privaatrecht – Ontvanger/ De Jong q.q. ECLI:NL:HR: 2009:BG7729

  • Datum: 20 februari 2009

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 453a lid 1 Rv en art. 33 lid 2 Fw

Casus

Rodem Beheer BV is eigenaar van een aantal machines. De ontvanger legt executoriaal beslag op deze zaken. Rodem verkoopt de zaken daarna aan Maico Motorcycles NV. Zowel Rodem als Maico gaat failliet. De curator, mr. De Jong, verkoopt de zaken.

De rechtsvraag: of en op welke wijze kan de ontvanger zich op de opbrengst van de zaken verhalen, nu hij bij de curator van Maico een beroep kan doen op de blokkerende werking van art. 453a lid 1 Rv? (De curator heeft geen beroep gedaan op de derdenbescherming ex art. 453 lid 2 Rv.

De ontvanger stelt dat hij zijn vordering op Rodem buiten het faillissement van Maico om mag verhalen op de opbrengst van de zaken. Hij heeft immers vóór de verkoop aan Maico beslag op de zaken gelegd en de zaken zijn vóór het faillissement van Rodem en Maico aan Maico overgedragen.

Hoge Raad

De Hoge Raad neemt een ander standpunt in: een beslag leidt niet tot beschikkingsonbevoegdheid van degene ten laste van wie dat beslag is gelegd, en staat dus ook niet in de weg aan overdracht van de beslagen zaak aan een derde. De regel van art. 453a lid 1 Rv dat een na de inbeslagneming tot stand gekomen vervreemding niet tegen de beslaglegger kan worden ingeroepen, brengt mee dat de beslaglegger bevoegd blijft zijn door de inbeslagneming ingeleide uitoefening van zijn recht zich op de in beslag genomen zaak te verhalen voort te zetten, ook al maakt die zaak geen deel meer uit van het vermogen van de schuldenaar.

De beslaglegger behoudt die bevoegdheid ook indien de schuldenaar in staat van faillissement wordt verklaard, omdat de niet meer tot het vermogen van de schuldenaar behorende zaak niet door het algemene faillissementsbeslag wordt getroffen en het beslag van de schuldeiser dan ook niet op de voet van art. 33 lid 2 Fw vervalt.

Indien de derde-verkrijger in staat van faillissement wordt verklaard en de beslagen zaak daarmee in de boedel van dat faillissement valt, heeft het bepaalde in art. 33 lid 2 Fw tot gevolg dat de beslaglegger die zaak niet meer met een beroep op art. 453a lid 1 Rv zelf kan uitwinnen alsof er geen faillissement was. Zijn uit deze bepaling voortvloeiende verhaalsbevoegdheid is weliswaar niet tenietgegaan, maar kan nog slechts door de curator worden uitgeoefend.

De beslaglegger kan, ook al is de gefailleerde niet zijn schuldenaar, in het faillissement opkomen voor zijn vordering uitsluitend om daarin de naar hem toekomende rang te worden erkend als bevoorrecht op de opbrengst van de zaak. Dit brengt mee dat de beslaglegger, nadat de curator de zaak te gelde heeft gemaakt, geen aanspraak heeft op afzonderlijke uitkering van de opbrengst of verdeling daarvan op de voet van art. 481 e.v. Rv, maar het hem toekomende langs de weg van de uitdelingslijst zal ontvangen.