Privaatrecht – Lindorff BV/Nazier ECLI:NL:HR:2016:236

  • Datum: 12 februari 2016

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:61 BW

Casus

In dit arrest ging het om de aanbieding van een telefoonabonnement met een ‘gratis telefoon’. Als de klant dit abonnement bij de provider aan zou gaan, werd beloofd dat het toestel kosteloos zou zijn. Zodra de klant echter het abonnement met het ‘gratis toestel’ aan zou gaan, zouden de kosten van de telefoon in de abonnementsprijs berekend worden. Er werd hier dus een zogeheten all-in prijs aan de klant doorberekend.

In een eerder arrest had de Hoge Raad al geoordeeld dat een telefoonabonnement inclusief toestel in beginsel wordt beheerst door de regels inzake consumentenkrediet en koop op afbetaling, tenzij de aanbieder van het abonnement aannemelijk kan maken dat de verschuldigde abonnementskosten niet mede strekken tot afbetaling van de telefoon. Naar aanleiding van deze uitspraak zijn er veel vervolgvragen opgerezen, zoals ook in het onderhavige geval. De voor de kantonrechter centraal staande vraag in dit geval is in hoeverre (ambtshalve) aan de orde dient te worden gesteld of er wordt voldaan aan de eisen uit art. 7:61 lid 2 BW en art. 7A:1576 lid 2 BW en hoe de afwikkeling van de mogelijke nietige of vernietigbare overeenkomst dient te geschieden. Deze vragen worden in een prejudiciële procedure door de Hoge Raad beantwoord.

Rechtsvraag

Er worden in deze prejudiciële procedure verschillende rechtsvragen aan de Hoge Raad gesteld, maar de volgende vraag is in het bijzonder van belang: Hoe dient, als de overeenkomst nietig of vernietigbaar is op grond van art. 7:61 lid 2 BW en art. 7A:1576 lid 2 BW, de afwikkeling te geschieden?

Dient de consument het toestel op grond van art. 6:203 BV aan de aanbieder te retourneren en mag daarbij worden volstaan met het retourneren van het toestel in de staat waarin het zich op dat moment bevindt? Is de consument verder ook een vergoeding verschuldigd voor het gebruik van het toestel op grond van art. 6:212 BW, 6:203 BW of op grond van redelijkheid en billijkheid?

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is de consument, zodra de overeenkomst voor wat betreft het toestel gedeelte nietig of vernietigd is, gehouden om het toestel op grond van art. 6:203 BW aan de aanbieder te retourneren. In beginsel dient dit te geschieden in de staat waarin de betreffende consument het toestel heeft ontvangen, maar dat zal in de praktijk niet mogelijk zijn vanwege het gebruik ervan. Volgens de Hoge Raad kan de waardevermindering van het toestel de consument niet worden toegerekend voor zover dit plaats heeft gevonden in de periode waarin hij in redelijkheid geen rekening hoefde te houden met een eventuele verplichting tot teruggave (art. 6:204 BW). Is de consument echter in het geheel niet in staat om het toestel terug te geven, dan is hij verplicht om de waarde van het toestel te vergoeden op grond van art. 6:74 BW. Ten slotte is de consument niet verplicht om een vergoeding te betalen wegens het genot dat hij van het toestel heeft gehad. Daarvoor bieden de artikelen 6:203, 6:278 en 6:212 BW geen grondslag volgens de Hoge Raad, evenals de aanvullende werking van redelijkheid en billijkheid niet.