Privaatrecht – Koot Beheer/ Tideman q.q. ECLI:NL:HR: 2013:BY6108

  • Datum: 19 april 2013

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 39 Fw en art. 40 Fw

Casus

Koot Beheer verhuurde bedrijfsruimte aan een BV. Enige tijd later is deze BV failliet verklaard door de rechtbank die in de eerste plaats Bakker tot curator benoemde. Bij een later vonnis werd Tideman als curator ingesteld. Tideman heeft de huurovereenkomst met Koot Beheer opgezegd en de failliete BV heeft per die datum ontruimd en leeg opgeleverd. Bij oplevering bleek echter dat er schade was ontstaan aan de buitenleven en deuren van het pand. Deze schade werd begroot op €24.000. Koot wil deze schade verhalen op de curator via de boedel, aangezien de BV de schade heeft veroorzaakt en wettelijk verplicht is het gehuurde pand correct op te leveren, met verwijzing naar artikel 7:224 en artikel 10.1.1 en 11.3 van de algemene bepalingen bij de huurovereenkomst.

De curator verweert zich echter door te stellen dat de verplichting om de schade te herstellen niet voortvloeit uit de opleververplichting en niet is veroorzaakt door toedoen van de curator. De schade is veroorzaakt door een tekortkoming in de nakoming van de verplichting van de huurder van artikel 9.6 van de huurovereenkomst.

Rechtsvraag

Kan de verplichting van de huurder om schade aan het gehuurde bij het einde van de huur te herstellen en/of te vergoeden in de boedelschuld vallen?

Hoge Raad

In dit arrest komt de Hoge Raad terug op zijn eerdere uitspraken aan de hand van het toedoencriterium.
In deze arresten had de Hoge Raad bepaald dat een verplichting die is ontstaan als gevolg van een door de curator ten behoeve van de boedel verrichte rechtshandeling standaard als boedelschuld werd aangemerkt. Dit wordt het toedoen-criterium genoemd.

Bij een wederkerige overeenkomst, die voor het intreden van het faillissement nog niet is nagekomen of beëindigd, denk aan lopende huurovereenkomsten, bepaalt de Faillissementswet zelf dat door het faillissement zelf de uit deze overeenkomsten voortvloeiende verbintenissen niet kunnen worden gewijzigd. Het is op grond van artikel 37 lid 1 Fw dan ook aan de curator om te kiezen of hij de overeenkomst al dan niet zal nakomen.
Zodra de curator het besluit neemt een overeenkomst niet na te komen, levert dit de wederpartij een ter verificatie in te dienen concurrente vordering op, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang.

De artikelen 39 en 40 Fw waren in deze zaak van belang. Deze bepalen dat onder andere bij een huurovereenkomst vanaf de dag van het faillissement deze overeenkomst een boedelschuld is. De curator dient deze overeenkomsten dan ook te beëindigen.

De Hoge Raad heeft in dit arrest bepaald dat het binnen het bestaande wettelijke stelsel niet passend is dat wanneer een curator in het belang van de boedel een huurovereenkomst beëindigt, de ontruimingsverplichting die daardoor ontstaat als een boedelschuld gekwalificeerd kan worden. Alle verplichtingen die kunnen ontstaan als gevolg van een dergelijke opzegging zijn dus niet langer een boedelschuld, maar slechts een verifieerbare, concurrente vordering.

In het geval van niet-nakoming van een wederkerige overeenkomst door een cura.