Privaatrecht – Iranese Vluchtelinge ECLI:NL:HR:2007:AZ8751

  • Datum: 13 april 2007

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In deze casus ging het om een vrouw, afkomstig uit Iran, die een aanvraag had ingediend in Nederland om tot Nederland te worden toegelaten als vluchteling en om een verblijfsvergunning. Dit verzoek werd echter niet-ontvankelijk verklaard, om de reden dat de vrouw zich niet onverwijld aan had gemeld bij de grensbewaking of een ander toezichtsorgaan op vreemdelingen. De vrouw gaat hiertegen in bezwaar, maar dit bezwaar wordt ongegrond verklaard. Eenmaal bij de rechtbank aangekomen vernietigt de rechtbank het besluit op bezwaar. Hiertoe wordt overwogen dat aan de vrouw niet tegen kon worden geworpen dat zij zich niet onverwijld had aangemeld als asielzoeker. Uiteindelijk werd het bezwaar van de vrouw toch gegrond verklaard en werd de vrouw alsnog toegelaten als vluchteling. Deze toelatingsprocedure had op dat moment inmiddels vijf jaar in beslag genomen. Om deze reden wil de vrouw de Staat aansprakelijk stellen tot vergoeding van vermogensschade over deze periode in de vorm van arbeidsvermogen en pensioenschade, alsmede betaling van smartengeld wegens gederfde levensvreugde gedurende deze periode. Doordat de Staat haar pas vijf jaar na aanvraag de vluchtelingenstatus heeft gegeven vindt de vrouw dat de Staat onrechtmatig heeft gehandeld jegens haar.

Rechtsvraag

Heeft de Staat onrechtmatig gehandeld jegens de vrouw door haar pas na vijf jaar de status van vluchteling toe te kennen en is de Staat daarom verplicht een schadevergoeding aan de vrouw te betalen wegens verlies van arbeidsvermogen en pensioenschade en een betaling van smartengeld vanwege gederfde levensvreugde te doen?

Lagere rechters

De rechtbank wees het verzoek van de vrouw om schadevergoeding af op grond van art. 6:163 BW. De rechtbank meende dat zij onvoldoende aan de orde had gesteld om aan te nemen dat er sprake was van een aantasting van haar als persoon. Zowel het verzoek om schadevergoeding wegens verlies van arbeidsvermogen als het verzoek om smartengeld wordt door de rechtbank afgewezen. Het hof heeft de vordering tot vergoeding van de materiële schade vervolgens deels toegewezen, maar ook in hoger beroep werd de vordering ter zake van smartengeld afgewezen.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is het juist dat een vluchteling die naar Nederland komt hier een nieuw bestaan op dient te kunnen bouwen. Dit betekent volgens de Hoge Raad echter niet dat de toelating van een vluchteling ertoe strekt deze in staat te stellen om inkomen te verwerven. Dat vluchtelingen in Nederland het recht hebben om betaalde arbeid te verrichten, ontstaat pas op het moment dat iemand als vluchteling in Nederland is toegelaten. De toelating geschiedt volgens het oordeel van de Hoge Raad op grond van humanitaire redenen en niet om een vermogensrechtelijk belang van de vluchteling te beschermen. Als de Staat een procedureregel heeft geschonden in de procedure van toelating, is de weg naar de rechter voor de aanvrager opengesteld om deze schending te doen herstellen. Dit houdt echter niet in dat er dan ook een recht op schadevergoeding ontstaat. De Hoge Raad wijst de verzoeken van de vrouw dus af, omdat het recht in Nederland betaalde arbeid te verrichten voortvloeit uit de toelating als vluchteling en pas ontstaat nadat hij of zij in Nederland als vluchteling is toegelaten.