Privaatrecht – Instellen beroep Ondernemingsraad ECLI:NL:GHAMS:2020:2871

  • Datum: 28 oktober 2020

  • Rechtbankniveau: Ondernemingskamer

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 26 lid 2 WOR

Casus

In deze zaak is een vereniging opgesplitst in twee nieuwe ondernemingen. De ondernemingsraad heeft ten tijde van de splitsing geen standpunt ingenomen met betrekking tot de dienstverleningsovereenkomst die later nodig is om diensten af te kunnen nemen bij één van de twee bedrijven. De ondernemingsraad stelt dat deze op een later moment hierover een adviesaanvraag in de zin van art. 25 lid 1 Wet op de Ondernemingsraden (WOR) verwacht. Er wordt op een gegeven moment een concept van de dienstverleningsovereenkomst opgesteld en een bestuurder meldt aan de ondernemingsraad dat de betreffende overeenkomst voldoende behandeld is en als afgesloten beschouwd dient te worden. Met andere woorden: de bestuurder stelt zich op het punt dat er geen advies meer zal worden gevraagd over de overeenkomst. Deze mededeling vat de ondernemingsraad op als dat er een besluit is genomen in de zin van art. 25 WOR. De ondernemingsraad stelt een beroep in bij de Ondernemingskamer.

Rechtsvraag

Is er een beroepsmogelijkheid bij de Ondernemingskamer indien er nog geen besluit is genomen door de onderneming?

Ondernemingskamer

De Ondernemingskamer stelt voorop dat er geen blijk is van een definitieve overeenkomst. Daarnaast is niet uitdrukkelijk aan de ondernemingsraad medegedeeld dat een dergelijke overeenkomst gesloten is. De termijn uit art. 26 lid 2 WOR is volgens de Ondernemingskamer dan ook niet verstreken. Op grond van lid 1 van dit artikel kan een ondernemingsraad beroep instellen bij de Ondernemingskamer wanneer er een besluit is genomen dat niet in overeenstemming is met het advies van de ondernemingsraad. Uit lid 2 volgt dat dit beroep slechts mogelijk is binnen een maand nadat de ondernemingsraad op de hoogte is gesteld van het besluit. Volgens de Ondernemingskamer is een mededeling dat er geen advies zal worden gevraagd geen besluit in de zin van art. 25 WOR en begint de beroepstermijn ex art. 26 lid 2 WOR dan ook niet te lopen.