Privaatrecht – Hangmat II Dieren ECLI:NL:HR:2016:162

  • Datum: 29 januari 2016

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:179 BW

Casus

In het onderhavige geval exploiteert eiseres al een aantal jaar een manege met haar echtgenoot, die zij in 1982 besluiten om te zetten in een vennootschap onder firma. De manege richt zich vooral op het geven van paardrijlessen aan zowel kinderen als volwassenen. Tijdens het geven van een van deze paardrijlessen heeft de eiseres een ongeval gehad. Eén van de paarden sloeg op hol en botste tegen eiseres aan, die vervolgens haar rechter dijbeenspieren scheurde en haar rechterheup brak. Hierdoor is zij beperkt geraakt in de mogelijkheid om de taken binnen de manege uit te kunnen voeren. Zij wil haar echtgenoot (die tevens een 60% van de winstverdeling ontving) aanspreken voor het ontstaan van het door haar opgelopen letsel op grond van art. 6:179 BW (mede-eigenaar van het paard).

Rechtsvraag

In dit arrest stelt de rechtbank twee prejudiciële vragen aan de Hoge Raad, waarvan de eerste vraag luidt of de regel uit de zogeheten hangmatjurisprudentie ook van toepassing is op medebezitters van dieren. In de hangmatjurisprudentie oordeelde de Hoge Raad namelijk dat een medebezitter van een gebrekkige opstal uit hoofde van art. 6:174 BW ook aansprakelijk is voor schade die de andere medebezitter als gevolg van het gebrek lijdt. De tweede prejudiciële vraag luidt of uit hoofde van art. 6:181 BW aansprakelijkheid kan worden gevestigd jegens een andere bedrijfsmatige gebruiker van het dier.

Hoge Raad

Volgens de Hoge Raad is de reikwijdte van art. 6:179 BW van de kwalitatieve aansprakelijkheid van de bezitter van een dier niet beperkt, net zo min als art. 6:174 BW een beperking vormt op de risicoaansprakelijkheid van een bezitter bij gebrekkige opstallen. De algemene doelstelling van art. 6:174 BW is dat het risico dat niet of niet eenvoudig kan worden bepaald en bewezen wie voor de schade van het opstal aansprakelijk is, niet op de benadeelde(n) wordt afgewenteld. Dit argument ten gunste van de benadeelde, ligt echter niet ten grondslag aan de aansprakelijkheid

voor dieren. Grondslag voor de aansprakelijkheid van art. 6:179 BW is namelijk dat de bezitter het dier houdt en daarmee voor derden een gevaar schept in verband met de onberekenbaarheid van dieren. Dit is een andere grondslag dan de grondslag uit art. 6:174 BW. Bij art. 6:179 BW gaat het niet zozeer om een risicoverdeling ter bescherming van de benadeelde, maar vooral om het feit dat de bezitter van het dier een risico voor derden in het leven roept. De verantwoordelijkheid van de medebezitter speelt in dit kader dus een aanzienlijk sterkere rol dan bij art. 6:174 BW het geval is. Volgens de Hoge Raad is het, gezien het voorgaande, niet redelijk of maatschappelijk wenselijk dat art. 6:179 BW ook aansprakelijkheid vestigt jegens personen die medebezitter zijn van het dier. Art. 6:179 BW vestigt dus geen risicoaansprakelijkheid voor personen die de hoedanigheid van medebezitter van het dier hebben.

Over de tweede materiële vraag zegt de Hoge Raad dat deze kwestie niet anders is als het gaat om bedrijfsmatige medegebruikers. Ook dan wordt er geen aansprakelijkheid gevestigd voor de medegebruiker op de enkele grond dat hij een bedrijfsmatige medegebruiker is van het dier.

Daarbij overweegt de Hoge Raad ook nog dat de wetgever voor een kwalitatieve aansprakelijkheid voor de bedrijfsmatige gebruiker heeft gekozen in art. 6:181 BW, zodat het ook voor de benadeelde derde duidelijk is wie hij dient aan te spreken. Er geldt dus geen afwijkende benadering voor bedrijfsmatige medegebruikers ten opzichte van het medebezitterschap van dieren.