Privaatrecht – Groen/Schoevers ECLI:NL:HR:1997:ZC2495

  • Datum: 14 november 1997

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:610 BW

Casus

In deze zaak gaat het over de heer Groen die zijn eigen belastingadvieskantoor heeft. De heer Groen geeft onder andere op basis van mondelinge overeenkomst les bij opleidingsinstituut Schoevers. Groen stuurt daarvoor maandelijks facturen inclusief btw op basis van de gewerkte uren naar Schoevers. Schoevers doet geen inhoudingen voor premies van sociale verzekeringen en loonbelasting en de arbeidsvoorwaardenregeling wordt niet op Groen toegepast. Groen ontvangt ook geen vakantiebijslag of betaling bij ziekte. Een en ander gebeurt op voorstel van Groen, want hij wil in eerste instantie geen arbeidsovereenkomst. Op het moment dat Schoevers de overeenkomst beëindigt, stelt Groen zich op het standpunt dat hun overeenkomst aangemerkt moet worden als een arbeidsovereenkomst.

Rechtsvraag

Was er sprake van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW tussen Groen en Schoevers?

Lagere rechters

De kantonrechter wijst bij vonnis van 20 april 1995 de vordering van Groen af. Groen gaat in beroep bij de rechtbank. De rechtbank is ook van oordeel dat tussen partijen geen arbeidsovereenkomst in de zin der wet bestaat, omdat er geen sprake was van loon in en een uit hoofde van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst bedongen tegenprestatie en geen sprake was van een gezagsverhouding. De rechtbank bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Hoge Raad

Voor de beantwoording van de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst, moet worden gekeken naar art. 7:610 BW. Allereerst moet gekeken worden naar de partijbedoeling bij het aangaan van de overeenkomst. De partijbedoeling kan doorslaggevend zijn bij de vraag of er sprake is van een arbeidsovereenkomst. Hierbij overweegt de Hoge Raad dat het niet alleen de bedoelingen van partijen een rol spelen, maar dat ook feitelijke omstandigheden meegenomen worden.