Privaatrecht – Erven A./B. en C. ECLI:NL:HR:2012:BX7264

  • Datum: 23 november 2012

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 150 Rv

Casus

Op 16 september 1993 wordt een vrouw opgenomen in het ziekenhuis. Zij is namelijk zwanger en is met hevige weeën naar het ziekenhuis vervoerd. Van de foetus in haar buik wordt een echo gemaakt waaruit blijkt dat het kindje in de juiste positie ligt. Er blijken verder geen andere bijzonderheden uit de echo-scan. Toch ervaart mevrouw enorm veel pijn, wat in beginsel niet raar is bij een bevalling. De pijn blijkt echter ondraaglijk voor haar te zijn en zij krijgt een infuus ingebracht met een verdovingsmiddel. Dit middel blijkt echter niet te werken. Op het moment dat de arts opnieuw een verdovingsmiddel toe wil brengen, breken de vliezen van de vrouw. In haar vruchtwater blijkt vers meconium te zitten, afkomstig uit het infuus dat haar werd toegebracht. Zodra de baby wordt geboren, blijkt deze niet gezond ter wereld te zijn gekomen. Het kindje heeft zowel psychische als lichamelijke tekortkomingen. De vrouw (en de vader van het kindje) stellen de gynaecoloog hiervoor aansprakelijk. Doordat hij niet zorgvuldig heeft gehandeld tijdens de bevalling, heeft het kindje letsel geleden. De advocaat van de arts beroept zich echter op de omkeringsregel en stelt zich op het standpunt dat de bewijslast aan de kant van de ouders ligt. Volgens de ouders van het kindje is dat in het onderhavige geval niet vereist, omdat zij vinden dat voor toepassing van de omkeringsregel de kans op verwezenlijking van het specifieke gevaar dat door overtreding van de norm in het leven is geroepen aanmerkelijk dient te zijn vergroot door de handeling.

Rechtsvraag

Dient de kans op verwezenlijking van het door de overtreden norm beschermde specifieke gevaar aanmerkelijk te zijn vergroot voor toepassing van de omkeringsregel?

Lagere rechters

De rechtbank en het hof kwamen tot de conclusie dat het geen geldend recht is om voor toepassing van de omkeringsregel de eis te stellen dat de kans op verwezenlijking van het specifieke gevaar die de norm beschermt aanmerkelijk vergroot dient te zijn.

Hoge Raad

De Hoge Raad gaat mee in het oordeel van de feitenrechters en verwerpt het cassatieberoep. Hiertoe wordt overwogen dat de omkeringsregel een regeling is die ertoe strekt dat er in bepaalde gevallen een uitzondering kan worden gemaakt op de hoofdregel van de bewijslast uit art. 150 Rv. Om deze regel toe te kunnen passen dient er volgens de Hoge Raad sprake te zijn geweest van een gedraging die strijdig is met een norm die een bepaald specifiek gevaar beoogt te voorkomen, en dat dit specifieke gevaar zich heeft verwezenlijkt. Dat het gevaar waartegen de norm bescherming beoogt te bieden ook daadwerkelijk is ontstaan, dient door degene die zich op de betreffende norm beroept aannemelijk te worden gemaakt, ook bij betwisting. Dat het specifieke gevaar aanmerkelijk dient te zijn vergroot, is volgens de Hoge Raad inderdaad geen vereiste.