Privaatrecht – Eisers/Gemeente de Bilt ECLI:NL:HR:2014:736

  • Datum: 28 maart 2014

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6 EVRM

Feiten

Twee percelen in De Bilt zijn in 1953 belast met erfdienstbaarheid. Ingevolge deze erfdienstbaarheid mogen op het dienende erf slechts gebouwen met een militaire bestemming worden gebouwd. Toen in de jaren zestig een woonwijk op de percelen kwam, is de erfdienstbaarheid uit het oog verloren. Pas in 2004 bleek dat de erfdienstbaarheid nog steeds bestond (en dat inmiddels de percelen in de woonwijk het heersend erf waren). Dat vormde de aanleiding voor een onteigeningsprocedure, waarin de gemeente het dienende erf onteigende. In deze procedure is in de eerste plaats de vraag aan de orde welke schadeloosstelling aan de bewoners moet worden toegekend voor het verlies van de erfdienstbaarheid. Daarnaast speelt de principiële vraag of er een schadevergoeding moet worden toegekend vanwege de (gestelde) schending van het recht op behandeling van de zaak binnen een redelijke termijn, zoals volgt uit art. 6 EVRM.

Rechtsvraag

Wanneer is er sprake van een overschrijding van een redelijke termijn zoals bepaald in art. 6 EVRM?

Hoge Raad

In deze onteigeningszaak wees de rechtbank de aanspraak op immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn af, omdat niet is gesteld welke immateriële schade is geleden. De Hoge Raad acht dit onjuist, omdat uitgangspunt moet zijn dat het uitblijven van een rechterlijke beslissing binnen een redelijke termijn steeds leidt tot spanning en frustratie, en dus tot immateriële schade die voor vergoeding in aanmerking komt. Het bestaan van die schade hoeft dus niet te worden gesteld. De Hoge Raad voegt aan dit oordeel de meer principiële beslissing toe dat over de aanspraak wegens termijnoverschrijding niet in deze procedure kan worden beslist. Daarvoor moet een afzonderlijke procedure worden gevoerd tegen de Staat.

Met dit oordeel wijkt de Hoge Raad uitdrukkelijk af van de gang van zaken in het bestuursrecht. De Hoge Raad overweegt dat, omdat door de rechtbank in het midden is gelaten of er sprake was van overschrijding van de redelijke termijn, er dient te worden aangenomen dat er wel sprake is van schending van art. 6 EVRM. Als hiervan sprake is, is het inderdaad zo dat partijen een stelplicht hebben om hun immateriële schade vergoed te zien. Of er sprake is van overschrijding van een redelijke termijn hangt volgens het EHRM af van de omstandigheden van het concrete geval. Hierbij dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de aard, de ingewikkeldheid en het belang van de zaak en van de partijen. Zowel de totale duur van de procedure als langere perioden van oponthoud kunnen voor overschrijding van de redelijke termijn volgen.
Deze overschrijding kan vervolgens leiden tot een plicht tot schadevergoeding jegens partijen. Volgens het EHRM moet er om deze reden in het nationale recht worden voorzien in een effectieve mogelijkheid om schade, wegens het overschrijden van de redelijke termijn, vergoed te krijgen. Dit kan in ieder geval worden gedaan door een afzonderlijke procedure in te stellen tegen de Staat. Voor de toekenning van de vergoeding is niet vereist dat de zaak zelf onder de reikwijdte van art. 6 EVRM ligt. Art. 6 EVRM geldt namelijk ook in zaken met betrekking tot nationaal recht.