Privaatrecht – De Gouden Kooi ECLI:NL:HR:2011:BP3887

  • Datum: 25 maart 2011

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:610 Bw

Casus

Belanghebbende in deze zaak nam deel aan het televisieprogramma ‘De Gouden Kooi’. In dit programma werden de deelnemers die woonden in een villa gevolgd met televisiecamera’s. De beelden van de bewoners in de villa waren constant via media voor het publiek toegankelijk. Degene die het langst in de villa zou verblijven, maakte kans op het winnen van prijzen. Tussen de televisieproducent Talpa en belanghebbende bestond een overeenkomst. Deze overeenkomst werd door partijen benoemd als een overeenkomst van opdracht. In deze overeenkomst werd uitdrukkelijk neergezet dat het niet de bedoeling van partijen was om een arbeidsovereenkomst te sluiten.

Rechtsvraag

Was er sprake van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW tussen belanghebbende en Talpa?

Rechtbank

De Rechtbank oordeelt dat, gelet op de overeenkomst, de aard van de arbeid en het kader waarbinnen de deelnemers arbeid verrichten, de vrijheid van de deelnemers aan het programma beperkt was en dat zij gehouden waren opdrachten en aanwijzingen van Talpa op te volgen. Doordat niet gesproken werd van incidentele werkzaamheden dient de arbeidsrelatie tussen eiseres en Talpa niet gekwalificeerd te worden als overeenkomst van opdracht en wel als arbeidsovereenkomst.

Centrale Raad van Beroep

Bij de beantwoording van de vraag of de rechtsverhouding tussen partijen als een arbeidsovereenkomst moet worden aangemerkt, moet de inhoud van de rechtsverhouding worden getoetst aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval. Niet alleen de partijbedoeling die partijen voor ogen stond ten tijde van het sluiten van de overeenkomst moet in aanmerking worden genomen, maar er moet ook gekeken worden naar de wijze waarop partijen feitelijk uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst.

Hoge Raad

Voor beantwoording van de vraag of deze rechtsverhouding aan te merken is als een arbeidsovereenkomst, moet worden gekeken naar alle omstandigheden van het geval en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die beide partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen hadden, maar moet ook rekening gehouden worden met de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst, oftewel in hoeverre ze daaraan inhoud hebben gegeven. De Hoge Raad oordeelt dat de CRvB geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting.