Privaatrecht – Coronabetekening ECLI:NL:HR:2020:1088

  • Datum: 19 juni 2020

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 46 Rv en art. 47 Rv

Casus

Betekening op de voet van artikel 47 lid 1 Rv is pas aan de orde, indien betekening op grond van artikel 46 lid 1 RV niet mogelijk blijkt. De reden hiervoor is dat betekening in persoon of aan het woonadres meer waarborgen biedt dat het exploot daadwerkelijk degene bereikt voor wie het bestemd is.
Het niet naleven van de in artikel 46 en verder Rv neergelegde betekeningsvoorschriften bedreigt het exploot met nietigheid. Of inderdaad sprake is van nietigheid van het exploot, hangt op grond van artikel 66 lid 1 Rv er vanaf of aannemelijk is dat degene voor wie het exploot is bestemd, door het gebrek ‘onredelijk is benadeeld’. Bovendien geldt op grond van artikel 66 lid 2 Rv dat een gebrek in een exploot dat nietigheid meebrengt, in beginsel kan worden hersteld.

Op grond van een richtlijn van de Koninklijke Beroepsorganisatie van Gerechtsdeurwaarders wordt in gevallen waarin betekening op de voet van artikel 46 lid 1 Rv wegens het besmettingsgevaar met COVID-19 niet verantwoord wordt geacht, direct op de voet van artikel 47 Rv een afschrift van het exploot in een gesloten envelop aan de woonplaats achtergelaten.
Deurwaarders moeten rekening houden met onvoorspelbaar gedrag van de ontvanger en hebben regelmatig te maken met agressie. Als een deurwaarder besmet zou raken met het virus, zou dat bovendien aanzienlijke risico’s op verdere verspreiding met zich brengen; een deurwaarder belt dagelijks bij zo’n veertig tot vijftig personen aan.

Hoge Raad

Sinds 16 maart 2020 kan de deurwaarder ermee volstaan in het exploot te vermelden dat uitreiking overeenkomstig artikel 46 lid 1 Rv wegens het besmettingsgevaar met COVID-19 feitelijk onmogelijk is en dus over kan gaan op artikel 47 Rv zonder eerst de mogelijkheden in artikel 46 RV te hebben geprobeerd.