Privaatrecht – Brand in Loods ECLI:NL:HR:2017:3016

  • Datum: 24 november 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:174 BW

Casus

Een gedeelte van een bedrijfsgebouw in Beverwijk werd verhuurd aan verschillende bedrijven, waaronder Planet, Katalyst en ACE. Achter de units van deze drie ondernemingen bevond zich een unit die verhuurd was aan eiseres 2. De unit van eiseres 2 diende als constructiewerkplaats en als plaats om vrachtwagens te stallen. Op zondagmorgen 15 mei 2011 is in het gebouw brand uitgebroken. Ten gevolge van deze brand zijn de door Planet c.s. gehuurde units volledig verloren gegaan. De unit van eiseres 2 heeft hierbij zware brandschade opgelopen. In de unit van eiseres 2 stond ten tijde van de brand een vrachtwagen, behorende aan eiseres 1. De brand zou zijn ontstaan door een spontane kortsluiting in de accubekabeling van deze vrachtauto. Planet c.s. vorderen vergoeding van de door hen geleden schade, doordat eisers hoofdelijk aansprakelijk zouden zijn voor alle door Planet c.s. geleden schade.

Rechtsvraag

Zijn eisers hoofdelijk aansprakelijk voor de door Planet c.s. geleden schade als gevolg van de brand, ontstaan in de unit van eiseres 2?

Lagere rechters

De rechtbank wijst de vorderingen van Planet c.s. toe. Het hof heeft het vonnis van de rechtbank vernietigd voor zover de hoofdelijke aansprakelijkheid. Het hof oordeelt dat eiseres 1 aansprakelijk is voor alle schade die Planet c.s. heeft geleden als gevolg van de brand. Het hof heeft de vorderingen tegen eiseres 2 alsnog afgewezen, omdat eiseres 2 niet op grond van art. 6:181 lid 1 BW aansprakelijk is. Het hof stelt dat deze bepaling toepassing mist, doordat de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat. Daartegen is het incidentele beroep gericht.

Hoge Raad

Alleen het incidentele beroep is van belang in deze zaak. Dit beroep bestrijdt de afwijzing van de vordering van Planet c.s., voor zover gericht tegen eiseres 2. Planet c.s. stellen dat de unit als gebrekkige opstal moet worden aangemerkt omdat het niet voldeed aan de hieraan in de gegeven omstandigheden te stellen eisen van onder meer brandveiligheid. Daarnaast bestaat er een verband tussen het gebrek in de opstal en de door eiseres 2 in het kader van de uitoefening van haar bedrijf daarin uitgeoefende brandgevaarlijke activiteiten en aldaar opgeslagen brandgevaarlijke stoffen. Het hof zou dus van een te beperkte opvatting van het begrip ‘uitoefening van het bedrijf’ als bedoeld in art. 6:181 lid 1 BW zijn uitgegaan. De Hoge Raad stelt inderdaad dat de aansprakelijkheid voor een gebrekkige opstal op grond van art. 6:174 BW, krachtens art. 6:181 lid 1 BW rust op degene die de opstal gebruikt in de uitoefening van een bedrijf, tenzij het ontstaan van de schade niet met de uitoefening van het bedrijf in verband staat.

De zinsnede ‘het ontstaan van de schade’ is hier te verstaan als ‘de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan de gebrekkigheid van de opstal’. Hieronder is mede begrepen het geval waarin het gaat om de verwezenlijking van een gevaar als gevolg van bestaande eigenschappen van de opstal, die deze gezien het gebruik dat ervan wordt gemaakt onveilig doen zijn. Voor het ontbreken van aansprakelijkheid van degene die in de opstal een bedrijf uitoefent, is nodig en toereikend dat tussen het bestaan of ontstaan van het gebrek en de bedrijfsuitoefening geen verband bestaat. Het hof had volgens de Hoge Raad dan ook moeten onderzoeken of de door Planet c.s. geleden schade het gevolg is van de verwezenlijking van het gevaar dat is verbonden aan het (gestelde) ontbreken van voldoende brandwerende voorzieningen in de unit van eiseres 2 en of er voldoende verband bestaat tussen de verwezenlijking van dat gevaar en haar bedrijfsuitoefening. Het hof heeft een onjuiste, te beperkte, maatstaf gebruikt en deze onvoldoende gemotiveerd.