Privaatrecht – Booy/Wisman (kraanwagen) ECLI:NL:HR:1966:AC4621

  • Datum: 21 januari 1966

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:228 BW

Casus

De heer Wisman was op zoek naar een kraan om schepen te lossen. Wisman vond een kraan in eigendom van de heer Booy en vertelde hem dat hij interesse had in de kraan, mits hij er een kentekenbewijs voor kon aanvragen omdat hij met de kraan over de openbare weg wou rijden. Booy verzekerde Wisman ervan dat het aanvragen van een kenteken geen probleem zou zijn. Vervolgens kwamen de twee tot een overeenkomst en wisselde de kraan van eigendom. Echter weigerde de Rijksdienst voor het Wegverkeer de heer Wisman een kentekenbewijs te verlenen vanwege de specificaties van de kraan.

Rechtsvraag

Is er sprake van dwaling?

Rechtsoverweging

Booy voerde in de rechtszaak aan dat het niet-krijgen van een kentekenbewijs een zuiver toekomstige omstandigheid vormde, wat een beroep op dwaling tegenstaat. Het gaat hier echter niet om het feit dat Wisman geen kentekenbewijs toegekend kreeg, maar om het feit dat Booy de verkeerde mededeling heeft gegeven aan Wisman. Namelijk, dat Wisman de mogelijkheid had een kentekenbewijs aan te vragen voor de kraan. Dit is de oorzaak voor de toekomstige omstandigheid, namelijk de weigering voor de aanvraag van een kentekenbewijs.

Verder voerde Booy aan dat Wisman zelf onderzoek had moeten doen naar de specificaties van de kraan. Dit gaat tegen het beginsel in van de redelijkheid en billijkheid. Wisman had moeten kunnen vertrouwen op de mededelingen van Booy.

Rechtsregel

Wanneer dwaling zich in de toekomst voordoet (toekomstige omstandigheid) kan dit nog steeds leiden tot een geslaagd beroep op dwaling.