Privaatrecht – Beurspromovendi UvA ECLI:NL:HR:2006:AU9722

  • Datum: 14 april 2006

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 7:610 Bw

Casus

De eisers in deze casus zijn ABVAKABO en een aantal beurspromovendi van de UvA. ABVAKABO is een vereniging die opkomt voor de belangen van werknemers. Eisers zijn als beurspromovendi werkzaam bij de UvA. Met hen is overeengekomen dat de UvA aan hen een stipendium heeft toegekend waardoor de beurspromovendi kunnen promoveren en postdoctorale cursussen volgen binnen de UvA. ABVAKABO vordert dat tussen de beurspromovendi en de UvA een arbeidsovereenkomst bestaat. De UvA bestrijdt deze vordering.

Rechtsvraag

Is er sprake van een arbeidsovereenkomst ex art. 7:610 BW tussen de beurspromovendi en de UvA?

Lagere rechters

De kantonrechter wijst de vordering van ABVAKABO af, omdat de werkzaamheden van de beurspromovendi niet aangemerkt kunnen worden als arbeid verricht ten dienste van de UvA. Tegen dit vonnis heeft ABVAKABO hoger beroep ingesteld. De rechtbank vernietigd het bestreden vonnis en verklaart dat tussen de UvA en de promovendi een arbeidsovereenkomst heeft bestaan c.q. bestaat.

Hoge Raad

In deze zaak komt de Hoge Raad tot de conclusie dat er hier wel sprake is van een arbeidsovereenkomst. Allereerst staat ter discussie of de beurspromovendi van de UvA wel of niet arbeid verrichten. Het schrijven van een proefschrift heeft een economische waarde voor de UvA waarbij ook een rol speelt dat de promovendi bezig zijn met onderzoek. Onderzoek doen is de kerntaak van een universiteit. Het schrijven van een proefschrift is van rechtstreeks belang voor de universiteit. Het feit dat de promovendus zelf ook heel veel leert, doet niet af aan het feit dat hij arbeid verricht voor de universiteit. Het gaat bij deze werkzaamheden om het actief bijdragen aan de verwezenlijking van het primaire doel van de UvA. Daarnaast leert dit arrest iets over de partijbedoeling. Op papier had voornamelijk de UvA duidelijk gemaakt dat er geen sprake was van een arbeidsovereenkomst. De partijbedoeling was er dus vooral bij de universiteit en niet bij de bursaal. De uitvoering van de overeenkomst liet bij de UvA een ander verhaal zien, namelijk een gezagsverhouding tussen de promovendus en de universiteit. Als je uit de feitelijke uitvoering kunt concluderen dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst, dan is dat zo.