Privaatrecht – B. en Deloitte Belastingadviseurs/H ECLI:NL:HR:2012:BX7491

  • Datum: 21 december 2012

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

In dit geding ging het om een vennoot (hierna: verweerder) van een accountantsmaatschap die tevens over een eenmanszaak beschikte. Het bestuur van deze maatschap besloot de maatschap echter op te zeggen aan deze betreffende vennoot. Hiertoe heeft hij eiser (die werkzaam was bij Deloitte) gevraagd om hem te adviseren over de fiscale consequenties van zijn uittreden uit de maatschap. Dit advies werd hem daaropvolgend ook verleend. Het advies was op de geruisloze inbreng van de eenmanszaak van de vennoot gericht, in H&H beheer. Hierover was positief geadviseerd. Ook de uittreedsom van verweerder wilde hij geruisloos inbrengen in H&H beheer, waarover tevens positief was geadviseerd. Het verzoek om geruisloze inbreng werd echter afgewezen omdat dat een grote aanslag op de inkomstenbelasting zou veroorzaken volgens de belastingdienst. Waar verweerder niet van wist, was de mogelijkheid van ruilarresten (ruimere mogelijkheid dan een herinvesteringsreserve, voortvloeiend uit jurisprudentie van de Hoge Raad). Dan had de uittredende vennoot de hoge inkomstenbelasting namelijk kunnen omzeilen. Nu de adviseur positief had geadviseerd over de geruisloze inbreng en geen melding had gemaakt van het feit dat dit een onbegaanbare weg zou blijken te zijn gezien de hoge inkomstenbelastingdruk, vindt verweerder dat er toerekenbaar tekort is geschoten. De adviseur heeft de vennoot bovendien niet ingelicht over de mogelijkheid van ruilarresten, wat een veel betere optie zou vormen in dit geval. Om deze redenen vordert de vennoot schadevergoeding van de adviseur en het bedrijf waar hij in dienst was.

Rechtsvraag

Heeft het hof in dit geval het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid toegepast of er is sprake van toepassing van het leerstuk van de kansschade?

Lagere rechters

Bij de rechtbank is de vordering afgewezen. Het hof heeft de vordering toegewezen. Het hof komt hierbij tot veroordeling van vergoeding van 60% van de schade. Volgens het hof had verweerder, wanneer eiser hem deugdelijk had geadviseerd en de mogelijkheid van de ruilarresten had gesproken, dit advies opgevolgd en zich in een ander kantoor hebben ingekocht. Het hof stelt hierbij dus een conditio-sine-qua-non-verband vast tussen de tekortkoming van de adviseur en het verlies van de kans van verweerder op een gunstigere situatie in zijn portemonnee. Onduidelijk is of het hof hier het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid of het leerstuk van de kansschade heeft toegepast.

Hoge Raad

De Hoge Raad begint eerst met het uiteenzetten van de betekenis van proportionele aansprakelijkheid. Dit komt er in het kort op neer dat de rechter, in de gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de geleden schade veroorzaakt is door de normschending of door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf komt, de aansprakelijke persoon mag veroordelen tot schadevergoeding in evenredigheid met de mate waarin hij verantwoordelijk is voor het veroorzaken van de schade. Hierbij dient echter terughoudendheid te worden betracht. De Hoge Raad heeft het leerstuk van de kansschade geaccepteerd in gevallen waarin een advocaat verzuimd had om op tijd hoger beroep in te stellen. De tekortkoming van de advocaat in zulke gevallen is duidelijk, maar onzeker is dan of instelling van een hoger beroep tot succes voor zijn cliënt zou hebben geleid. Hiervoor dient wel eerst te worden beoordeeld of er een conditio-sine-qua-non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheid scheppende gebeurtenis en het verlies van de kans op succes.

Op basis hiervan komt de Hoge Raad eigenlijk tot de conclusie dat het hof geen toepassing heeft gegeven aan de rechtsregel van proportionele aansprakelijkheid, maar juist aan die van de kansschade