Privaatrecht – Art. 80 RO, recht op mondelinge behandeling ECLI:NL:HR:2017:3151

  • Datum: 15 december 2017

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 80 RO

Casus

Verweerder heeft als advocaat voor eiseres werkzaamheden uitgevoerd. Hiervoor worden kosten in rekening gebracht, eiseres stelt echter dat deze werkzaamheden in aanmerking kwamen voor toevoeging. Verweerder stelt echter dat krachtens de overeenkomst de eiseres is gehouden tot de betaling van dit bedrag.
De zaak komt bij de kantonrechter terecht. Het pleidooi van de eiseres wordt tijdens het proces afgewezen, de kantonrechter vindt dit niet gerechtvaardigd en een onredelijke vertraging van het proces. Kantonrechter stelt uiteindelijk in zijn vonnis de verweerder in zijn gelijk.

Eiseres stelt een cassatieberoep in tegen het afgewezen pleidooiverzoek en stelt dat het vonnis door deze rolbeslissing ontvankelijk is. De vraag is echter of de rolbeslissing betreffende het pleidooi een tussenvonnis is of een zuivere rolbeschikking. Indien er sprake is van een tussenvonnis, kan daartegen wel hoger beroep of cassatieberoep worden ingesteld, zij het tegelijkertijd met het eindvonnis. Een beslissing is enkel een zuivere rolbeschikking als het gaat om het nemen of weigeren van een administratieve maatregel van ondergeschikte betekenis. Hieruit blijkt dat de rolbeslissing betreffende het pleidooi is aan te merken als tussenvonnis. En dus kan men in hoger beroep of in cassatie.

De waarde van vorderingen is echter minder dan 1750 euro. Dit betekent volgens art. 332 lid 3 Rv dat er geen hoger beroep openstaat. Art. 80 lid 1 RO stelt dat een partij tegen dergelijke uitspraken slechts beroep in cassatie kan instellen wegens:

• Het niet inhouden van de gronden waarop het vonnis of de beschikking berust;

• Het niet in het openbaar gedaan zijn van het vonnis of de beschikking;

• Onbevoegdheid; of

• Overschrijding van rechtsmacht.

De Hoge Raad heeft echter in jurisprudentie vastgelegd dat de schending van een fundamenteel rechtsbeginsel ook als cassatiegrond mag worden aanvaard tegen niet-appellabele uitspraken van de kantonrechter.
De schending van het recht op hoor en wederhoor en de schending van het recht op gelijke behandeling heeft in zodanige mate geleid tot een oneerlijke en partijdige behandeling van de zaak dat het als cassatiegrond wordt aanvaard.

Rechtsvraag

Mocht de kantonrechter het pleidooi afwijzen? Of wel mocht de kantonrechter het recht op hoor en wederhoor beperken?

Hoge Raad

Art. 19 Rv betreffende het recht op hoor en wederhoor mag slechts in bepaalde omstandigheden worden beperkt, hiervan is in casu geen sprake. De motivering van de kantonrechter dat het niet-rechtvaardig zou zijn en vertraging zou opleveren zijn geen gegronde redenen tot beperking. Ook het feit dat de wederpartij wel zijn verhaal heeft mogen doen leidt ertoe dat er ook schending is van het recht op gelijke behandeling. Kortom de kantonrechter had niet het recht om het pleidooiverzoek af te wijzen en zowel de rolbeslissing als het uiteindelijke vonnis worden vernietigd.

Deze zaak is een voorbeeld waar een verzoek voor een pleidooi ten onrechte is afgewezen. Zo zegt de Hoge Raad:
“De beslissing van de kantonrechter om het verzoek af te wijzen is in de eerste plaats gegrond op het oordeel dat een pleidooi “waarin de volle omvang van de zaak weer aan de orde kan komen” in deze zaak niet gerechtvaardigd is. Dit oordeel is zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Ook de tweede grond, inhoudende dat toewijzing van het verzoek zou leiden tot onredelijke vertraging van de procedure, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat de inleidende dagvaarding is betekend op 23 december 2015, terwijl het verzoek is afgewezen bij de rolbeslissing van 23 juni 2016.”