Privaatrecht – Achmea/Menzis ECLI:NL:HR:2015:1873

  • Datum: 10 juli 2015

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Privaatrecht

  • Wetsartikelen: Art. 6:101 BW

Casus

In het onderhavige geval heeft een verkeersongeval plaatsgevonden. Hierbij was een te hard rijdende bromfiets op een remmend taxibusje gebotst, nadat het busje afremde. Als gevolg van deze botsing liep de bromfietsbestuurder een dwarslaesie op, waardoor hij voor de rest van zijn leven in een rolstoel moest zitten. Menzis was zijn verzekeraar en vergoedde alle kosten voor de medische behandelingen, alsmede de toekomstige kosten. De verzekeraar van de bestuurder van het taxibusje was Achmea. Menzis sprak daarom Achmea aan voor vergoeding van de volledige schade van de bromfietsbestuurder. In deze zaak is Menzis dus de regresnemer op Achmea. Omdat de bromfietsbestuurder zelf ook te hard reed, hield rechtbank in eerste aanleg tevens rekening met een mate van eigen schuld (art. 6:101 BW).
In hoger beroep doet Menzis een beroep op de subjectieve omstandigheden van de bromfietsbestuurder, namelijk de ernst van zijn letsel en het feit dat hij op jeugdige leeftijd rolstoelafhankelijk is geworden. Ook in hoger beroep wordt de billijkheidscorrectie van art. 6:101 BW toegepast. Het hof komt tot de conclusie dat 65% van de schade door Achmea dient te worden vergoed en 35% ten laste van Menzis blijft in het kader van art. 6:101 BW. Achmea is het hier niet mee eens. Volgens Achmea kan Menzis geen beroep doen op de subjectieve omstandigheden van het slachtoffer, omdat Menzis in deze zaak de regresnemer is en niet het slachtoffer zelf. Achmea gaat daarom in cassatie bij de Hoge Raad

Rechtsvraag

Kon Menzis in de gegeven omstandigheden een beroep doen op de subjectieve omstandigheden van het geval als regresnemer? Heeft het hof de billijkheidscorrectie uit art. 6:101 BW juist toegepast?

Lagere rechters

De rechtbank heeft in eerste aanleg verklaard dat Achmea 50% van de schade dient te vergoeden. In hoger beroep komt het hof eerst tot het oordeel dat 40% van de schade voor rekening van Achmea komt en 60% van de schade ten laste van Menzis dient te blijven. Nadat Menzis echter een beroep heeft gedaan op de subjectieve omstandigheden van de betrokkene, namelijk de ernst van het letsel dat hij heeft opgelopen, komt de rechtbank door toepassing van de billijkheidscorrectie tot de volgende schadeverdeling: 65% voor Achmea en 35% voor Menzis.

Hoge Raad

Achmea vindt dat het hof van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan door Menzis, als regresnemer, een beroep toe te staan op de subjectieve omstandigheden van het slachtoffer. Menzis is immers de regresnemer en niet het slachtoffer zelf. Volgens Achmea had het hof moeten oordelen dat er voor subrogatie in zieligheid geen goede grond bestaat. Het hof had Menzis dan ook niet een beroep moeten toekennen op de subjectieve omstandigheden van het geval in het kader van de billijkheidscorrectie uit art. 6:101 BW. Volgens de Hoge Raad faalt deze klacht echter. In art. 7:962 BW wordt bepaald dat vorderingen tot schadevergoeding van een verzekerde op diens verzekeraar overgaan, voor zover die verzekeraar de schade vergoedt. De billijkheidscorrectie uit art. 6:101 BW werkt dus ook door in de regresverhouding tussen verzekeraars, namelijk op dezelfde wijze als deze tussen de verzekerden zelf werkt. De Hoge Raad verwerpt het beroep van Achmea.