Intellectueel-eigendomsrecht – Leidseplein/Red Bull ECLI:EU:C:2014:49

  • Datum: 6 februari 2014

  • Rechtbankniveau: Benelux gerechtshof

  • Rechtsgebied: Intellectueel-eigendomsrecht

  • Wetsartikelen: Art. 2.20, lid 1 sub c

Casus

Red Bull is houder van het woord- en beeldmerk ‘Red Bull Krating-Daeng’. Het gaat om energiedrank. De Vries is houder van het woord- en beeldmerk ‘The Bulldog’. Ook hier gaat het om energiedrank. Red Bull was van mening dat het gebruik door De Vries van het onderscheidingsteken ‘The Bulldog’ afbreuk doet aan het merk Red Bull Krating-Daeng doordat daarin het woordelement ‘Bull’ is opgenomen. ‘The Bulldog’ is een woord- en beeldmerk wat al ingeschreven stond vóór het merk van Red Bull. Daarom is De Vries van mening dat er een ‘geldige reden’ is voor het gebruiken van het merk ‘The Bulldog’ in de zin van art. 2.20, lid 1 sub c.

Rechtsvraag

Wat kwalificeert als geldige reden in de zin van art. 2.20 lid 1 sub c?

Rechtsoverweging

‘Zo is het vaste rechtspraak dat het in die bepaling bedoelde uitsluitende recht is verleend om de merkhouder de mogelijkheid te bieden, zijn specifieke belangen als houder van dat merk te beschermen, dat wil zeggen zeker te stellen dat het merk zijn wezenlijke functies kan vervullen. Derhalve moet de uitoefening van dit recht beperkt blijven tot de gevallen waarin het gebruik van het teken door een derde afbreuk doet of kan doen aan de functies van het merk. Tot die functies behoren niet alleen de wezenlijke functie van het merk, de consument de herkomst van de betrokken waar of dienst te waarborgen, maar ook de overige functies ervan, zoals die welke erin bestaat de kwaliteit van deze waar of deze dienst te garanderen, of de communicatie-, de investerings‑ en de reclamefunctie (arrest van 19 september 2013, Martin Y Paz Diffusion, C‑661/11, punt 58 en aldaar aangehaalde rechtspraak).’

De wetgever heeft de bescherming van art. 2.20 lid 1 sub c aangemerkt als ‘absoluut’, wel moet deze kwalificatie worden gelezen in context met de bewoordingen uit het bovenstaande, namelijk dat de regel ertoe strekt een merk de mogelijkheid te geven zijn functie kan vervullen.

‘Het Hof heeft geoordeeld dat wanneer een derde door het gebruik van een teken dat overeenstemt met een bekend merk, in het kielzog van dit merk probeert te varen om van de aantrekkingskracht, de reputatie en het prestige ervan te profiteren alsmede om zonder enige financiële vergoeding en zonder daarvoor passende inspanningen te moeten leveren, voordeel te halen uit de commerciële inspanning die de houder van het merk heeft gedaan om het imago van dat merk te creëren en te onderhouden, het uit dat gebruik voortvloeiende voordeel moet worden geacht ongerechtvaardigd te zijn getrokken uit het onderscheidend vermogen en de reputatie van dat merk’

Rechtsregel

De rechter kan aan de hand van twee aspecten beoordelen of er sprake is van een ‘geldige reden’: ‘In de eerste plaats moet voor een dergelijke analyse bepaald worden in hoeverre het teken ingeburgerd is en welke reputatie het geniet bij het relevante publiek.’ ‘ In de tweede plaats moet worden nagegaan wat het oogmerk van de gebruiker van dat teken was.’