Intellectueel-eigendomsrecht – Intel/CPM C-252/07

  • Datum: 27 november 2008

  • Rechtbankniveau: Hof van Justitie van de Europese Unie

  • Rechtsgebied: Intellectueel-eigendomsrecht

  • Wetsartikelen: Art. 2.2 lid 1 sub c

Casus

Intel Corp. klaagt de onderneming CPM aan vanwege het gebruiken van het woordmerk INTELMARK, welke volgens Intel Corp. te veel overeenstemt met het woordmerk ‘Intel’. Intel is de producent van onder andere een scala aan computeronderdelen en INTELMARK is het woordmerk voor en telecombedrijf.

Rechtsvraag

Is het gebruik van het woordmerk ‘INTELMARK’ een inbreuk op art. 2.2 lid 1 sub c BVIE?

Rechtsoverweging

De Court of Appeal (England and Wales) (Civil Division) stelde naar aanleiding van het geschil een aantal prejudiciële vragen aan het Hof van justitie van de Europese unie. De verwijzende rechter vroeg zich af hoe de inbreuk op het merk zou moeten worden beoordeeld.

Het gerecht antwoordde aan de hand van de criteria uit het Adidas-Salomon en Adidas Benelux arrest, welke het volgende omvat: de mate van overeenstemming van de conflicterende merken;

• de aard van de waren of diensten waarvoor de conflicterende merken zijn ingeschreven, daaronder begrepen de mate waarin deze waren of diensten gerelateerd zijn dan wel onderling verschillen, alsmede het relevante publiek;

• de mate van bekendheid van het oudere merk;

• de mate van intrinsiek dan wel door gebruik verkregen onderscheidend vermogen van het oudere merk;

• het bestaan van verwarringsgevaar bij het publiek.

Het unieke merk Intel staat zeer bekend in de sfeer van het product wat het produceert, wat in een andere productgroep valt als de producten/diensten van INTELMARK. Dit maakt dat er niet gelijk een verband valt op te merken tussen de twee woordmerken. Wel is duidelijk dat het merk INTELMARK een gedachte oproept van het merk INTEL. Hoe groter het verband tussen de twee woordmerken, des te meer er sprake is van afbreuk of verwatering van het oudere merk.

Rechtsregel

Het gerecht oordeelde dat: ‘door het gebruik van het jongere merk afbreuk kan worden gedaan aan het onderscheidend vermogen van het bekende oudere merk, ook al is laatstgenoemd merk niet uniek.’ ‘Het bewijs dat door het gebruik van het jongere merk afbreuk wordt of zou worden gedaan aan het onderscheidend vermogen van het oudere merk, veronderstelt dat is aangetoond dat het economische gedrag van de gemiddelde consument van de waren of diensten waarvoor het oudere merk is ingeschreven, is gewijzigd als gevolg van het gebruik van het jongere merk of dat er een grote kans bestaat dat dit gedrag in de toekomst wijzigt.’