Bestuursrecht – Sint Oedenrode/Driessen ECLI:NL:HR:1984:AG4771

  • Datum: 24 februari 1984

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Autobedrijf Driessen had een nieuwe garage gebouwd en het gebouw verhuurd. Dit gebruik kwam niet overeen met de bestemming die op het perceel rustte volgens het bestemmingsplan. De burgemeester en wethouders van Sint-Oedenrode lieten een waarschuwing bestuursdwang uitgaan. Daarbij hadden zij over het hoofd gezien dat volgens de jurisprudentie van de Afdeling het verbod van art. 353 Bouwverordening (waardoor het gebruik niet in overeenstemming was met het bestemmingsplan) slechts geldt voor bestemmingen die al verwezenlijkt zijn. Aan die voorwaarde was in casu niet voldaan want de huurder was de eerste gebruiker.

Zowel huurder als Driessen leden schade, ondanks het feit dat de bestuursdwang tijdens de procedure niet was uitgeoefend. Dat kwam doordat de huurder onder druk van de dreigende bestuursdwang het gebruik van het pand beperkt had gehouden tot de activiteiten die er plaatsvonden toen het bestuursdwangbesluit werd genomen.

Rechtsvraag

Wat zijn de gevolgen van de vernietiging van een besluit?

Hoge Raad

Volgens Sint-Oedenrode is met de vernietiging van een besluit door de bestuursrechter vastgesteld dat onrechtmatig is gehandeld. Omgekeerd betekent dit dat wanneer een besluit niet wordt vernietigd, er vanuit moet worden gegaan dat het bestuur rechtmatig heeft gehandeld. Dit is bepaald in het Heesch/Van de Akker-arrest.

Indien een bestuursorgaan een besluit neemt en handhaaft, dat vervolgens door de bestuursrechter wordt vernietigd, moet worden aangenomen dat het bestuursorgaan onrechtmatig heeft gehandeld. Het oordeel over de vraag of een voor beroep vatbaar besluit in strijd met het recht is genomen, wordt gegeven door de bestuursrechter. Van diens oordeel moet de burgerlijke rechter uitgaan. Dat de geschonden norm publiekrechtelijk van aard is, vormt verder geen belemmering om te spreken van een onrechtmatige daad in de zin van het BW, zoals bepaald in het Ostermann-arrest.

Als in een geschil over de schadevergoeding door het verwerende overheidslichaam of bestuursorgaan een beroep wordt gedaan op het relativiteitsvereiste, zal moeten worden nagegaan of de geschonden norm strekt tot bescherming tegen de schade zoals de benadeelde die heeft geleden. De toepassing van het relativiteitsvereiste heeft in de jurisprudentie een opvallende ontwikkeling doorgemaakt. Men kan niet zonder meer aannemen dat een publiekrechtelijke norm, die de strekking heeft om algemene belangen te dienen, daarmee ook als vanzelf strekt tot bescherming van de individuele vermogensbelangen van burgers. Men kan dit zelfs niet zonder meer aannemen voor zover hun belangen verband houden met het algemene belang ter behartiging waarvan de voorschriften zijn opgesteld.