Bestuursrecht – Prof. Van den Bergh ECLI:NL:HR:1961:AG2059

  • Datum: 27 januari 1961

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: Art. 120 Gw

Casus

Meneer van den Bergh was lid van de tweede kamer en ging, wanneer hij op leeftijd was, met pensioen. Vanwege bepaalde wetgeving kreeg hij minder pensioen dan waarvan hij dacht dat hij recht op had. Als cassatiemiddel voerde hij aan dat de AOW niet overeenkomstig regels uit de Grondwet tot stand waren gekomen, namelijk zonder tweederdemeerderheid van de Staten Generaal, en dat de wet dus rechtskracht mistte.

Rechtsvraag

Omvat het toetsingsverbod het verbod om te toetsen of een formele wet op een door de grondwet voorgeschreven manier tot stand is gekomen?

Rechtsoverweging

De Hoge Raad oordeelde dat er slechts twee vragen kunnen worden gesteld bij het toetsen van een formele wet. Namelijk of er uit de handelingen van de Staten Generaal valt op te vatten dat zij de wet hebben aanvaard en of de koning via een bekendmaking in het staatsblad de wet heeft bekrachtigd. Wanneer deze vragen positief kunnen worden beantwoord heeft een wet rechtskracht en kan zij niet worden betwist.

Rechtsregel

De Hoge Raad oordeelde dat de bepaling “wetten zijn onschendbaar” in het toenmalige artikel 131 van de Grondwet en het huidige artikel 120 van de Grondwet wordt verboden te toetsen of formele wetten volgens de door de Grondwet voorgeschreven procedure tot stand zijn gekomen naast te verbieden dat wetten inhoudelijk aan de Grondwet worden getoetst.