Bestuursrecht – Leffers – Staat ECLI:NL:HR:1991:AC4031

  • Datum: 18 januari 1991

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Leffers is een varkensmester. Steeds heeft hij zijn bedrijf uitgeoefend door de varkens te voederen met voedsel- of slachtafval (Swill). Sinds dit werd vereist, heeft hij steeds de juiste vergunningen aangevraagd en verkregen. De vergunningen werden verleend krachtens de Beschikking voedsel- en slachtafvallen 1922, die berustte op art. 36 Veewet. De beschikking is ingetrokken bij en vervangen door de ‘Regeling verbod voedsel en slachtafvallen (varkens)’. De aanleiding hiervoor is de constatering van Afrikaanse varkenspest geweest in een bedrijf waar de varkens gevoed werden met swill. Hierdoor kon Leffers zijn bedrijf niet langer uitvoeren. Hij zou slechts winstgevend het bedrijf kunnen blijven voeren, wanneer hij het bedrijf zou verplaatsen. Hiertoe had hij echter de financiële mogelijkheden niet. Leffers heeft een vordering op grond van onrechtmatige daad ingesteld tegen de Staat. De rechtbank heeft de vorderingen afgewezen. Het Hof heeft de vorderingen alsnog afgewezen.

Rechtsvraag

Kan een overheidsorgaan door het onvoldoende compenseren van een bepaalde groep bij een ten nadele van hen getroffen regeling, aangesproken worden op grond van een onrechtmatige daad?

Hoge Raad

Volgens art. 36 Veewet kan de minister ter voorkoming van besmetting regels stellen ten aanzien van het gebruik, de opslag en het vervoer van slachtafval. De regeling is bovendien gerechtvaardigd uit hoofde van bescherming van de volksgezondheid (art. 30 en 36 EEG-Verdrag).
Lefflers stelt dat de minister een onrechtmatige daad jegens hem gepleegd heeft aangezien het besluit in strijd is met het willekeurcriterium.

De aard van de toetsing van de in het geding zijnde Regeling brengt met zich mee dat de Hoge Raad het oordeel van het Hof omtrent dit criterium mag toetsen. Het feit dat de minister bevoegd was om de Regeling te stellen en het feit dat de regeling niet buiten werking gesteld kan worden, sluit niet uit dat Leffers inderdaad een beroep kan doen op het leerstuk van de onrechtmatige daad. De Regeling is gesteld om de belangen van al diegenen die zich bezighouden met het fokken, verhandelen en exporteren, te beschermen.

Door de regeling wordt een kleine groep, die zijn hele bedrijf heeft ingesteld op het gebruik van Swill, in onevenredige mate in zijn belang getroffen. Er kan niet worden gezegd dat een plotseling opgelegd drastisch verbod behoort tot de normale bedrijfsrisico’s die voor de rekening van de ondernemer behoren te blijven.

Daarbij is bovendien van belang dat Leffers alle van tevoren genomen maatregelen stipt heeft uitgevoerd. In deze omstandigheden moet geoordeeld worden dat de minister inderdaad jegens Leffers een onrechtmatige daad heeft gepleegd. De minister had een regeling moeten treffen voor varkensmesters die hun bedrijf, net als Leffers, geheel op vervoedering van Swill hadden ingericht