Bestuursrecht – Intrekking marktvergunning ECLI:NL:RVS:2017:3245

  • Datum: 29 november 2017

  • Rechtbankniveau: Raad van State

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Appellant exploiteerde op de Haagse markt twee marktkramen en was hiervoor in bezit van een marktvergunning. Appellant heeft van de minister een boete gekregen, omdat een vreemdeling zonder werkvergunning verkoopwerkzaamheden verrichte op de kraam met sjaals en hoofddoeken. Appellant heeft de boete betaald. Het College heeft de marktvergunning van appellant ingetrokken en tegen dit besluit komt de appellant in rechte op.

Grondslag: ‘Bij de totstandkoming van de Marktverordening is er bewust voor gekozen om de intrekkingsgrond van artikel 13, eerste lid, aanhef en onder f, dwingend te formuleren. Aan deze keuze is ten grondslag gelegd dat sterk wordt gehecht aan een veilige, eerlijke, transparante en ondernemers- en consumentvriendelijke markt.’

Rechtsvraag

Is er sprake van een criminal charge?

Afdeling Bestuursrechtspraak Raad van State

Over de aard van de overtreding is onzekerheid. Volgens appellante heeft de vreemdeling een enkele keer goederen verkocht aan zijn marktkraam wanneer appellante naar de wc moest. Het college schetst het beeld dat er reeds enkele maanden sprake is van verkoop door de vreemdeling. Ook de persoonlijke omstandigheden van appellante zijn van belang. De leeftijd van appellante en het feit dat het voor hem bijna onmogelijk is om via een andere weg inkomen te vergaren neemt de Afdeling mee in haar besluitvorming. De intrekking van een marktvergunning moet volgens de Afdeling niet als een criminal charge aangemerkt worden.

Appellant betoogt dat de intrekking van zijn marktvergunning een leedtoevoegend karakter heeft. Ook betoogt hij dat er dubbele bestraffing heeft plaatsgevonden (hij werd ook strafrechtelijk vervolgd op grond van een ander feit) en doet hij beroep op het ne bis in idem-beginsel.

Alhoewel de intrekking van de marktvergunning niet als een criminal charge kan worden aangemerkt en de intrekkingsgrond imperatief geformuleerd is, toetst de Afdeling vol. Naar haar oordeel is de straf die appellant ondergaat te hevig in verband met de omstandigheden van het geval. Dit is in strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Rechtsregel

Het belang van deze uitspraak is dat daarin tot uitdrukking komt dat niet de in het geschil zijnde bestuursbevoegdheid, maar de aard van de rechtsverhouding en het gewicht van de voor een belanghebbende op het spel staande belangen dicteren hoe indringend de rechterlijke toetsing moet zijn. In dit arrest kan met name het evenredigheidsbeginsel een volwaardige rol krijgen om de eigenmachtigheid van het bestuur tegen te gaan en om de belangen van de verschillende maatschappelijke actoren zo goed mogelijk te beschermen.