Bestuursrecht – GCN-Nieuwegein II ECLI:NL:HR:1989:AD0834

  • Datum: 27 maar 1987

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: /

Casus

Nieuwegein werd als gevolg van een gemeentelijke herindeling in 1971 geboren. Zijnde een gemeente had het een energievoorziening nodig en ging het een overeenkomst aan met GCN, wat nu eneco is. Dit bedrijf werd in het leven geroepen door een groep gemeenten en kon worden gezien als een openbaar lichaam in de zin van art. 2 gemeenschappelijke regelingen. GCN zou Nieuwegein van gasleidingen voorzien. De gemeente Nieuwegein ging daarna een overeenkomst aan met een ander bedrijf: Stamin. De gemeente ging ervan uit dat zij meerdere overeenkomsten kon aangaan. GCN ging hier tegenin en vorderde schadevergoeding vanwege wanprestatie.

Rechtsvraag

Welke rechter is bevoegd in dit geschil (overeenkomst tussen overheden)? Wanneer kunnen overheden nakoming van een verbintenis ontkomen en welke normen zijn dan aan de orde?

Rechtsoverweging

In deze casus gaat het om een bijzondere soort overeenkomst. Er wordt namelijk een overeenkomst gesloten tussen overheidsorganen. Zo’n overeenkomst wordt ook wel een publiekrechtelijke overeenkomst genoemd. Deze overeenkomsten vallen vervolgens onder te verdelen in een aantal soorten.

• De bevoegdhedenovereenkomst: deze overeenkomst wordt doorgaans gesloten tussen publiekrechtelijke en privaatrechtelijke partijen, zoals bij de aanleg van een weg. Zo worden in de overeenkomst dingen bepaald als prijs, duur van de werkzaamheden etc. Daarnaast kunnen dingen worden bepaald over de wijze waarop één of meer bevoegdheden wenst te gebruiken, bijvoorbeeld voor het nemen van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb.

• De beleidsovereenkomst: in dit soort overeenkomsten waarbij de overheid toezegt een bepaald beleid te voeren, zonder te spreken over de uitoefening van publiekrechtelijke bevoegdheden (wat wel zo is bij de bevoegdhedenovereenkomst).

Wanneer de overheid een overeenkomst sluit kan zij daar niet onderuit. In beginsel is nakoming de oplossing. Wanneer de overheid dit niet kan, staat schadevergoeding open. De overheid kan zich in uitzonderlijke omstandigheden beroepen op art. 6:258 BW. In dat geval kan van nakoming worden afgezien.

Een andere uitzondering ligt bij de bevoegdhedenovereenkomst. In deze soort overeenkomst wordt er een afspraak gemaakt tot het het gebruiken van een bevoegdheid. Wanneer er sprake is van de bevoegdheid tot het nemen van een besluit in de zin van art. 1:3 Awb kan er geen nakoming worden gevorderd bij de (burgerlijke) rechter, omdat de toetsing van dat besluit voorbehouden is aan de bestuursrechter. Wel kan er worden bepaald of er sprake is van een verplichting tot schadevergoeding. Dit wordt bijvoorbeeld geïllustreerd in het arrest Etam/Zoetermeer.