Bestuursrecht – Rasti Rostelli ECLI:NL:HR:1996:ZC2051

  • Datum: 26 maart 1996

  • Rechtbankniveau: Hoge Raad

  • Rechtsgebied: Bestuursrecht

  • Wetsartikelen: Art. 1 Gw

Casus

Van 1982 tot 1998 was meneer Abraham Peper burgemeester van Rotterdam. Nadat hij burgemeester was werd hij minister in het kabinet. De gemeenteraad van Rotterdam besloot onderzoek te doen naar de uitgaven van meneer peper in zijn tijd als burgemeester. Meneer peper declareerde namelijk uitgaven welke niet waren verbonden aan zijn ambt. Peper vocht vervolgens het rapport naar aanleiding van het onderzoek met succes aan.

Vervolgens vroeg een journalist om inzage in de volgende zaken op basis van de Wet Openbaar Bestuur (voorganger van de Woo):

• Alle declaraties die de heer Peper sinds zijn aantreden als minister bij het ministerie van Binnenlandse Zaken heeft ingediend;
• Alle betalingen die er sinds het aantreden van de heer Peper voor hem zijn gedaan, al dan niet door middel van creditcards, met uitzondering van zijn salaris;
• Alle betalingen die er sinds het aantreden van de heer Peper door of voor hem zijn gedaan inzake reiskosten, verblijfskosten en representatiekosten c.a.

Hierop werd een primair besluit genomen namens de minister door de secretaris-generaal die inhield dat alleen de totaaloverzichten per categorie zouden worden verstrekt, dus niet de originele declaratieformulieren en achterliggende bonnetjes en facturen. Dit werd met de volgende redenen omkleed:

• het betreft geen bestuurlijke aangelegenheid: het betroffen ook privéaangelegenheden;
• Een inbreuk op privacy: (artikel 10 lid 2 sub e Wob): als de rechter de aangelegenheden toch als bestuurlijk zag;
• sprake van een onevenredige benadeling: (artikel 10 lid 2 sub g Wob): als de rechter de aangelegenheden toch als bestuurlijk zag.

Rechtsvraag

Hoe groot is het bereik van de Wet Openbaar Bestuur (of Woo)?

Hoge Raad

De Hoge Raad achtte het verbieden van de shows in strijd met de vrijheid van meningsuiting in de zin van art. 7 lid 3 Gw. Ook het gelijkheidsbeginsel in de zin van art. 1 Gw was in het gedrang, omdat andere shows wel waren toegestaan en er de gemeente met name op de aard van de show een bezwaar had.

Raad van State

De Afdeling moest als eerste de vraag beantwoorden of het een bestuurlijke aangelegenheid betrof. Deze vraag wordt positief beantwoord door de RvS: de declaraties geven inzage in de vervulling van het ambt. De bonnetjes, verbonden aan de declaraties horen daar ook bij.

De bonnetjes kunnen namelijk niet los worden gezien van de declaratieformulieren en dit geldt ook voor de nota’s die rechtstreeks door het departement worden betaald.

De relatieve uitzonderingsgronden van artikel 10 lid 2 sub e en g Wob doen zich voor. De Raad van State oordeelde dat het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer en het belang van het voorkomen van onevenredige benadeling in het geding zijn. De afweging moet derhalve per document worden gemaakt, of het gerechtvaardigd is de belangen van openbaarmaking zwaarder te laten wegen. De secretaris-generaal had eerst besloten dat het categoriaal werd gedaan, dus over de hele linie.

Rechtsregels met betrekking tot de Woo

In artikel 1.1 van de Woo wordt bepaald dat eenieder heeft recht op toegang tot publieke informatie zonder daartoe een belang te hoeven stellen, behoudens bij deze wet gestelde beperkingen. Deze beperkingen zijn te vinden via art. 8.8 Woo, welke doorverwijst naar de bijlage.

Vervolgens wordt in artikel 2.2 Woo publieke informatie gedefinieerd. Uit de toelichting van dit artikel kunnen we opmaken dat het hierbij gaat om alle informatie die onder een bestuursorgaan, waar de Woo van toepassing is, publieke informatie is.

Het afwegingskader wat in artikel 10 en 11 Wob geregeld was, zijn in artikel 5.1 lid 1 Woo op een vergelijkbare manier geregeld. Wanneer zwaarwegende belangen gelden om informatie niet te verstrekken, stelt artikel 5.5 Woo dat er een afweging gemaakt dient te worden, dus het belang van de aanvrager en de belangen genoeg in het artikel. In artikel 5.1 lid 1 onder e Woo wordt geregeld hoe eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer moet worden uitgelegd, die te vergelijken is met artikel 10 lid 2 onder e Wob.

In artikel 5.1 lid 2 onder i Woo wordt eenzelfde soort regeling getroffen als bij het oude artikel 10 lid 2 onder g Wob. Artikel 5.1 lid 2 onder i Woo is echter meer uitgebreid dan het oude Wob artikel, wat te verklaren is als codificatie van rechtspraak. Artikel 5.1 lid 2 onder i Woo regelt “het goed functioneren van de Staat, andere publiekrechtelijke lichamen of bestuursorganen”.

Artikel 5.2 lid 1 Woo is vergelijkbaar met artikel 11 lid 1 Wob, maar is wel aangescherpt, wat voornamelijk te verklaren is door de toeslagenaffaire. Artikel 5.2 lid 1 Woo geeft meer nadruk op het feit dat niet onder persoonlijke beleidsopvatting wordt aangemerkt: “feiten, prognoses, beleidsalternatieven, de gevolgen van een bepaald beleidsalternatief of andere onderdelen met een overwegend objectief karakter”.